Wijzigingsplan en parkeernormen Bouwverordening en stedelijk gebied

AbRvS 8 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:353). B&W Goeree-Overflakkee stellen het wijzigingsplan “Molenpolder fase 1” vast. Hangende beroep stellen zij dit wijzigingsplan gewijzigd vast. Het wijzigingsplan is gebaseerd op het bestemmingsplan “Oude-Tonge”.

De uitspraak bevat enkele interessante aspecten:

  • De wijziging hangende beroep van het wijzigingsplan hoefde niet voorbereid te worden met afdeling 3.4 Awb (de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure, UOV). Wijzigingsplan UOV? Dan ook wijziging van wijzigingsplan met UOV! Echter, als uitzondering wordt in de rechtspraak onder meer aangenomen de situatie dat het besluit als bedoeld in artikel 6:19 Awb wijzigingen van ondergeschikte aard bevat die het college zonder dat de over het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijzen daartoe aanleiding gaven, in het plan wil doorvoeren. Hier oordeelt de Afdeling de wijzigingen van onderschikte aard.
  • Het wijzigingsplan verwijst naar parkeernormen in de gemeentelijke bouwverordening. Ten onrechte: het onderhavige wijzigingsplan is vastgesteld na de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014. Anders dan het college kennelijk meent, biedt de tekst van artikel 133, lid 1, Woningwet geen ruimte voor de uitleg dat onder wijziging van het bestemmingsplan als bedoeld in die bepaling niet dient te worden verstaan de vaststelling van een wijzigingsplan door het college op grond van een daartoe op de voet van de in artikel 3.6, lid 1, onder b, Wro in een bestemmingsplan opgenomen bevoegdheid.
  • Is het plangebied bestaand stedelijk gebied? Nee. Volgens het moederplan hadden de gronden een agrarische bestemming die bebouwing ten behoeve van wonen niet bij recht mogelijk maakt. Anders dan bij een uitwerkingsplicht, waarbij de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven geldt, mag bij een wijzigingsbevoegdheid de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft slechts in beginsel als een gegeven worden beschouwd. Terwijl voor een uitwerkingsplicht gelet op artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro geldt dat B&W het plan moeten uitwerken, geldt voor een wijzigingsbevoegdheid gelet op het eerste lid, onder a, dat B&W binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. Daarbij moet niet alleen worden voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden maar dient ook te worden nagegaan of uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd. In zoverre bestaat er bij de wijzigingsbevoegdheid derhalve nog onzekerheid over realisatie van de in beginsel aanvaardbaar geachte bestemming. Het bestemmingsplan “Oude-Tonge” maakt in zoverre dan ook niet reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen als bedoeld in artikel 1.1.1, lid 1, aanhef en onder h, Bro en artikel 2.2.1, tweede lid, Verordening ruimte 2014 Zuid-Holland mogelijk.
  • Omdat B&W de bui al hadden zien hangen, hebben zij in de procedure voor de zekerheid betoogd dat aan de ladder voor duurzame verstedelijking was voldaan. De Afdeling toetst dat betoog daarom en oordeelt dat B&W hadden moeten motiveren waarom voor de uitbreiding is gekozen voordat alle inbreidings- en transformatielocaties zijn benut.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.