Voorzienbaarheid planologische wijziging

In de uitspraak van 15 oktober 2014, nr. 201400773/1/A2, komt onder andere de vraag aan de orde of de nadelige planologische wijziging voorzienbaar was voor de verzoeker om een tegemoetkoming in de planschade.

Het college van B&W van Uithoorn stelt zich op het standpunt dat de nadelige planologische wijziging voorzienbaar was voor verzoeker, toen hij op 17 juli 1997 zijn woning kocht. Daartoe voert het college aan dat het in het voorontwerp vastgelegde beleidsvoornemen in de openbare vergadering van de raadscommissie voor RO van 26 november 1996 is behandeld, de agenda op het publicatiebord van het gemeentehuis heeft gehangen, de vergadering met een brief aan omwonenden van 21 november 1996 is aangekondigd en uit berichtgeving in de media was af te leiden dat de gemeente woningbouwplannen voor het plangebied had.

De AbRvS stelt conform vaste rechtspraak voorop dat, om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, voldoende is dat er een concreet beleidsvoornemen bestaat dat openbaar is gemaakt. Om op grond van een concreet beleidsvoornemen voorzienbaarheid te kunnen aannemen, dient een redelijk denkend en handelend koper uit de openbaarmaking daarvan te kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft, wat de zakelijke inhoud ervan is en dat hij van de inhoud ervan kan kennisnemen. Omdat de destijds opgestelde agenda van de vergadering met de daarbij vermelde onderwerpen in de procedure bij de AbRvS ontbrak, is volgens de AbRvS niet duidelijk geworden of aan de voorgaande vereisten is voldaan, zodat aan de agenda niet de door het college gewenste betekenis kan worden toegekend. Dat het beleidsvoornemen in een openbare raadsvergadering is behandeld, betekent volgens de AbRvS ook niet dat daardoor voorzienbaarheid kan worden aangenomen. Met een openbare behandeling is namelijk niet gewaarborgd dat een ieder kennis kan nemen van de inhoud van dat voornemen.

In de procedure is niet in geschil dat de verzoeker om planschade geen kennis had genomen van de brief van 21 november 1996. De AbRvS merkt daarbij op dat, daargelaten de vraag of de verkoper van de woning heeft gehandeld in strijd met zijn informatieplicht, de verzoeker niet in de gelegenheid was om de inhoud van de brief in de koopprijs te verdisconteren. Naar het oordeel van de AbRvS is er dan ook geen reden om voorzienbaarheid van de planologische wijziging aan de zijde van verzoeker aan te nemen.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.