Verdrag van Aarhus en het ontbreken van inspraak bij Nbw 98 vergunning

16 juli 2021

In de uitspraak van de AbRvS van 14 juli 2021 speelt de vraag of een verleende Nbw 98 (oud) vergunning in strijd met artikel 6 van het Verdrag van Aarhus tot stand is gekomen. Het bieden van inspraak door het ter inzage leggen van een ontwerpbesluit maakt geen onderdeel uit van de procedure bepalingen uit de Nbw 98 en heeft daarom niet plaatsgevonden. Dat is volgens het college niet in strijd met het Verdrag van Aarhus omdat deze vergunning, die op basis van een voortoets is verleend, niet binnen de reikwijdte van artikel 6 van dat Verdrag zou vallen. De inspraakbepalingen zouden alleen van toepassing zijn op activiteiten die een aanzienlijk effect op het milieu kunnen hebben. Aanzienlijke effecten op het milieu zijn in dit geval niet aan de orde.

De vraag of een toestemming op basis van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag van Aarhus valt is aan de orde geweest in de twee arresten van het Hof van Justitie van respectievelijk 8 december 2016, ECLI:EU:C:2016:838 en van 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:987. De Afdeling leidt hieruit af dat de toestemming die op basis van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 wordt gegeven, ongeacht of deze op basis van een voortoets of op basis van een passende beoordeling wordt verleend, een toestemmingsbesluit is in het kader van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.

Voor de vraag of appellante een rechtstreeks beroep kan doen op de inspraakverplichting van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus is het volgende van belang. Artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus, verplichten beide tot het bieden van inspraak en komen in zoverre overeen. Omdat de Habitatrichtlijn in dit geval van toepassing is, kan in het midden gelaten worden of aan het Verdrag van Aarhus in zoverre rechtstreekse werking toekomt. Aan appellante komt echter niet zonder meer een beroep toe op artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. De vraag naar de rechtstreekse werking van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn kan alleen rijzen in gevallen van incorrecte implementatie of indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd (uitspraak van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2543).

In de onderhavige uitspraak concludeert de Afdeling dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn onjuist is geïmplementeerd. Om deze reden komt aan appellante een rechtstreeks beroep toe op de Habitatrichtlijn voor zover het gaat om de eis dat inspraak wordt verleend bij een toestemmingsbesluit. Het betoog van appellante dat ten onrechte geen inspraak is geboden in het kader van de totstandkoming van het besluit slaagt dus.

Het college zal opnieuw op de aanvraag moeten beslissen. Omdat de Wet natuurbescherming, op basis waarvan de aanvraag nu moet worden voorbereid, niet regelt dat voorafgaand aan het nemen van een besluit op de aanvraag inspraak wordt geboden, zal het college, gelet op het beginsel van Unietrouw, met toepassing van artikel 3:10, eerste lid, van de Awb, moeten besluiten dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure op de voorbereiding van het besluit van toepassing is. (ECLI:NL:RVS:2021:1507)

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.