De das en zijn vaste voortplantings- of rustplaats

16 juli 2021

In de uitspraak van de AbRvS van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1457 wordt zeer uitgebreid stilgestaan bij de vraag wanneer sprake is van een opzettelijke beschadiging of vernieling van de vaste voortplantings- of rustplaats van de das en welke reikwijdte art. 3.10, eerste lid Wnb heeft.  De Afdeling overweegt dat voorop staat dat foerageergebieden in beginsel niet worden beschermd via het soortenbeschermingsregime van de Wnb. Daarop bestaan twee uitzonderingen:

de eerste uitzondering betreft gevallen waarbij een foerageergebied samenvalt met een vaste voortplantings- of rustplaats.
de tweede uitzondering betreft gevallen waarbij essentiële foerageergebieden, die niet samenvallen met een vaste voortplantings- of rustplaats, zodanig worden aangetast dat daardoor de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de betrokken diersoort wordt aangetast. Onder een essentieel foerageergebied wordt daarbij verstaan: een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantings- of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 10 januari 2018, onder 9.2 (ECLI:NL:RVS:2018:12), overwogen dat zij deze interpretatie volgt ten aanzien van artikel 3.5 van de Wnb, dat gaat over soorten genoemd in de Habitatrichtlijn. In de onderhavige uitspraak overweegt de Afdeling dat deze interpretatie ook gevolgd wordt ten aanzien van het in artikel 3.10, eerste lid, onder b, neergelegde verbod. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat die bepaling gelijkluidend is aan artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb, met dien verstande dat de laatste bepaling ook niet-vaste voortplantings- en rustplaatsen omvat en geen opzet vereist. Ook neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de geschiedenis van totstandkoming van deze bepalingen (Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3) niet blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat essentiële foerageergebieden wel onder het bereik van art. 3.5 vallen maar niet onder het bereik van art. 3.10.

Vervolgens wordt in deze zaak de vraag beantwoord of sprake is van een overtreding van art. 3.10. De Afdeling overweegt onder meer dat het niet zo is dat het deel van het foerageergebied waar een lokale populatie het meest eenvoudig voedsel kan vinden, om die reden als essentieel moet worden aangemerkt. Ook de enkele omstandigheden dat een alternatieve locatie niet van dezelfde kwaliteit is, is niet doorslaggevend. In dit geval is geen sprake van overtreding.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.