Toepassing “Zandzoom 2019” referentiesituatie bestemmingsplan

In AbRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1894, gaat het om een bestemmingsplan dat een nieuwe woonwijk met ongeveer 500 woningen mogelijk maakt. In deze procedure hebben verschillende stikstofonderzoeken de revue gepasseerd. In het laatste onderzoek zijn, naast de in het eerste stikstofonderzoek meegenomen activiteiten van zeven glastuinbouwbedrijven, ook activiteiten meegenomen van zes andere in het plangebied aanwezige glastuinbouwbedrijven. Anders dan in het eerste stikstofonderzoek is nu uitgegaan van 75% kasemissies. Dit komt volgens Antea neer op een exploitatie bij 50% van de kassen als warme kas en een exploitatie als koude kas bij de overige 50% van de kassen. Bij een exploitatie als koude kas vinden er minder kasemissies plaats.

Appellanten stellen dat in de beide stikstofonderzoeken ten onrechte de stikstofuitstoot is meegenomen van glastuinbouwbedrijven die al geamoveerd waren op het moment dat het plan werd vastgesteld. In AbRvS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960 (“Zandzoom 2019”), r.o. 24.2, heeft de Afdeling uiteengezet onder welke voorwaarden in het kader van de interne saldering activiteiten die beëindigd zijn vóór de gehanteerde peildatum toch kunnen worden betrokken in de referentiesituatie. De eerste voorwaarde is dat onomstotelijk vaststaat dat de activiteit uitsluitend is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. De tweede voorwaarde houdt in dat uitgesloten moet zijn dat de activiteit sowieso zou zijn beëindigd voor de peildatum. Als derde voorwaarde geldt dat in de periode tussen de beëindiging van de activiteit en de vaststelling van het plan geen andere stikstofveroorzakende activiteiten zijn ontplooid op het desbetreffende perceel.

De Afdeling heeft dit beoordeeld voor de zeven glastuinbouwbedrijven die in het eerste stikstofonderzoek zijn betrokken en voor de zes glastuinbouwbedrijven die in het na het STAB-advies uitgebrachte, tweede stikstofonderzoek zijn toegevoegd. De zeven glastuinbedrijven doorstaan de toets, maar dat geldt niet voor de zes glastuinbedrijven omdat niet bekend is of na de verkoop van de gronden aan de gemeente de glastuinbouwactiviteiten in de kassen zijn voortgezet en ook niet of na de sloop van de kassen (andere) stikstofveroorzakende activiteiten op de gronden hebben plaatsgevonden.

Vervolgens gaat het om de emissies van die zeven bedrijven.

De Afdeling is van oordeel dat de raad met de overgelegde foto’s en het rapport “Koopovereenkomsten en bedrijfsinventarisaties, Westmade Noord” waarin van ketelhuizen sprake is, aannemelijk heeft gemaakt dat bij de glastuinbouwbedrijven sprake was van gasgestookte verwarming. Voor de door appellanten op dit punt geuite twijfel ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten.

Over de vraag of die aanwezige gasstookinstallaties in gebruik waren en welke omgang dat gasverbruik had, overweegt de Afdeling als volgt. Het is aan de raad om op dit punt de referentiesituatie zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. Daarvoor hoeft naar het oordeel van de Afdeling de raad, niet het exacte gasverbruik per bedrijf te achterhalen, maar mag hij uitgaan van het kengetal uit Aerius-calculator voor glastuinbouw.

De raad heeft niet nader onderzocht welke van de zeven bedrijven koude teelt of warme teelt hadden. De Afdeling is van oordeel dat nader onderzoek op dit punt wel van de raad had mogen worden verwacht. De raad moet namelijk motiveren dat het door de raad gehanteerde uitgangspunt inhoudende 50% koude teelt en 50% warme teelt een reëel uitgangspunt is.

De Afdeling is verder van oordeel dat voor zover door de raad niet kan worden achterhaald of bij alle zeven glastuinbouwbedrijven warme of koude teelt aan de orde was, hij voor de berekening van de stikstofemissie moet uitgaan van een conservatieve schatting van de verdeling koude en warme teelt.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Susan


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.