Handhaving ontbindende voorwaarde in onherroepelijk vergunningvoorschrift. Evidentiecriterium

AbRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1900, is om meerdere redenen interessant. De zaak gaat om handhaving van een exploitatievergunning. In deze handhavingsprocedure stelt de overtreder de rechtmatigheid van een aan die vergunning verbonden voorschrift ter discussie.

De Afdeling beantwoordt allereerst de vraag of deze vraag nog wel aan de orde kan komen, nu de vergunning onherroepelijk is. De Afdeling overweegt daarover dat vergunningvoorschriften waartegen beroep heeft opengestaan, kunnen worden gehandhaafd zonder dat nagegaan hoeft te worden of die voorschriften rechtmatig zijn vastgesteld. Dat is in het belang van de rechtszekerheid. Op dit uitgangspunt is een uitzondering mogelijk als evident is dat het voorschrift niet gesteld had mogen worden. Een dergelijke bijzondere omstandigheid kan ertoe leiden dat uit de belangenafweging die aan een besluit tot handhaving vooraf dient te gaan, de conclusie moet worden getrokken dat van handhaving van dat voorschrift dient te worden afgezien.

In de deze zaak gaat om dit voorschrift: “De vergunning vervalt wanneer een wijziging is gekomen in de exploitatie van het horecabedrijf, dan wel wanneer de exploitatie is overgegaan op een andere ondernemer.” Het gaat om een ontbindende voorwaarde: als een van de genoemde feiten zich voordoet, dan vervalt de vergunning van rechtswege. Dat betekent dat de vergunning vervalt zonder dat daar nog een handeling van iemand voor nodig is. De vraag is of in een vergunning een dergelijke ontbindende voorwaarde kan worden opgenomen. De Afdeling verwijst dan naar artikel 3:38 Burgerlijk Wetboek (BW), op grond waarvan een rechtshandeling onder een voorwaarde kan worden verricht, tenzij uit de wet of de aard van de rechtshandeling anders voortvloeit. Dat artikel is gelet op artikel 3:59 BW buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Artikel 3:38 BW is daarmee dus van overeenkomstige toepassing op de vergunning zoals die in deze zaak voorligt. Het is daarom mogelijk om in de vergunning een ontbindende voorwaarde op te nemen.

Dit betekent ook dat het niet evident is dat het voorschrift niet in de vergunning had mogen worden opgenomen zodat in rechte uitgegaan moet worden van de gelding van dit voorschrift.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Monique


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.