Reactieve aanwijzing Zuid-Holland

 

In AbRvS 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1741, gaat het om een reactieve aanwijzing van GS Zuid-Holland aan de gemeenteraad van Sliedrecht met betrekking tot bestemmingsplan “Nijverwaard”. GS Zuid-Holland baseren zich daarbij op de provinciale Verordening Ruimte 2014. Het college van GS stelt zich op het standpunt dat het plan, dat voorziet in meer dan 1.000 m² aan nieuwe grootschalige detailhandel, in strijd is met de verordening. Volgens het college is niet aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast. Evenmin is aangetoond dat geen onaanvaardbare leegstand ontstaat, aldus het college. Volgens artikel 2.1.4, lid 4, van de Verordening geldt dat voor zover de nieuwe detailhandel, bedoeld in het derde lid onder e, f en g, een omvang heeft van meer dan 1.000 m² brutovloeroppervlak, het bestemmingsplan hier uitsluitend in voorziet als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Een vereniging die zich inzet voor het uitbreiden van detailhandel op het bedrijventerrein Nijverwaard, stelt beroep in en wil daarmee bereiken dat de ontwikkeling van detailhandel op Nijverwaard zo min mogelijk wordt beperkt. Zij betoogt dat de reactieve aanwijzing niet had mogen worden gegeven. Hiertoe voert zij aan dat de regeling in artikel 2.1.4, vierde lid, van de verordening onevenredige beperkingen tot gevolg heeft voor de ontwikkeling van detailhandel op Nijverwaard. De Afdeling overweegt dat de verordening een AVV is. Daartegen staat geen beroep open, maar zij kan wel exceptief worden getoetst. Als gevolg van een exceptieve toetsing kan aan een algemeen verbindend voorschrift verbindende kracht worden ontzegd. Dit kan echter alleen indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten. De Afdeling vat wat is aangevoerd over de onevenredige nadelige gevolgen van artikel 2.1.4, vierde lid, van de verordening voor de economische ontwikkeling van Nijverwaard aldus op dat die regeling volgens de vereniging in strijd is met het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Aan de regeling in artikel 2.1.4, vierde lid, ligt ten grondslag dat de detailhandelsstructuur zoveel als mogelijk wordt versterkt, waarbij tegelijkertijd leegstand, afname van de ruimtelijke kwaliteit en aantasting van het woon- en leefklimaat worden voorkomen. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de verordening op dit punt de terughoudende exceptieve toets niet kan doorstaan. Ook de aanwijzing zelf wordt getoetst. Dat gebeurt ook marginaal: de Afdeling ziet “geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing gebruik had kunnen maken.” Men leze de uitspraak voor de details.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.