Reactie op verzoek tot aanwijzing rijksmonument: besluit?

In de uitspraak van 30 september 2015, nr. 201409188/1/A2 buigt de Afdeling zich over de vraag of de reactie op een verzoek van een burger (in dit geval de Stichting Drukkerij Museum) om een pand (in dit geval een kapel) als rijksmonument aan te wijzen een besluit is in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb. De Minister heeft op dit verzoek schriftelijk gereageerd en stelt dat de daarover verzonden brief alleen ter toelichting is gezonden. De Minister heeft daarin gemeld dat het bestand aan gebouwde rijksmonumenten van vóór 1940 voldoende representatief is en slechts in geval van “unieke vondsten” ruimte is om een gebouw uit die tijd ambtshalve als beschermd monument aan te wijzen. De kapel is eerder beoordeeld en bewust niet geselecteerd om te worden aangewezen als beschermd monument. De Minister vervolgt dat het aanmerken van een gemotiveerde keuze om geen aanwijzingsprocedure te starten als een op rechtsgevolg gerichte, publiekrechtelijke handeling niet past in de door de wetgever beoogde systematiek van de Monumentenwet 1988.

Tot 1 januari 2009 kon een monument zowel ambtshalve als op verzoek van belanghebbenden worden aangewezen als beschermd monument. Door de voorbescherming die in ging op het moment waarop een aanvraag tot aanwijzing werd ingediend, werd deze procedure door derden veelvuldig misbruikt om (her)ontwikkelingsprojecten te traineren. Na 1 januari 2009 kunnen belanghebbenden geen verzoeken meer indienen als het om monumenten uit de periode van vóór 1940 gaat. In 2011 is de mogelijkheid om verzoeken in te dienen om aanwijzing van beschermde monumenten ook voor de monumenten van na 1939 geschrapt. Aanvragen zijn niet meer mogelijk. Uiteraard blijft het wel mogelijk om suggesties voor (ambtshalve) bescherming van monumenten aan te dragen bij de minister. Dergelijke suggesties worden behandeld als verzoeken als bedoeld in artikel 5 van de Grondwet. Op een verzoek zal gemotiveerd worden gereageerd, maar het wordt niet meer behandeld als een aanvraag in de zin van de

Niet verrassend volgt de Afdeling de Minister in haar oordeel. De mededeling van de minister, dat geen mogelijkheid bestaat de kapel alsnog aan te wijzen als beschermd monument, is gelet ook op het bepaalde in het tweede lid van artikel 1:3 van de Awb, geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.