Planschade: moment inroepen afwijzingsgrond en passieve risicoaanvaarding

De AbRvS heeft op 23 februari 2022 nog een tweede uitspraak gewezen over een planschadeverzoek van een tuincentrum. Deze uitspraak is om twee redenen vermeldenswaardig. Ten eerste vanwege het moment waarop het college van B&W een nieuwe afwijzingsgrond van de aanvraag inroept. Ten tweede vanwege de overwegingen over passieve risicoaanvaarding.

Allereerst, het moment van inroepen van de afwijzingsgrond. In het primaire besluit en in de beslissing op bezwaar heeft het college het verzoek afgewezen, omdat sprake zou zijn van passieve risicoaanvaarding. Appellanten, de verzoekers om planschade, gaan daartegen in beroep. Twee weken voor de zitting bij de rechtbank dient het college van B&W een verweerschrift in, waarin een nieuwe grond voor afwijzing van de aanvraag wordt gegeven. In het verweerschrift stelt het college van B&W zich op het standpunt dat het planologische nadeel bestaat uit het vervallen van een tijdelijk genoten voordeel en dat het nadeel daarvan redelijkerwijs voor rekening van appellanten dient te blijven. De Afdeling overweegt dat het college van B&W deze afwijzingsgrond in het bestreden besluit onbesproken heeft gelaten en daarmee de mogelijkheid heeft opengelaten dat deze, na vernietiging van dat besluit, alsnog wordt gebruikt in een nieuw besluit. De Afdeling concludeert dat de rechtbank rekening mocht houden met deze nieuwe afwijzingsgrond.

Over de passieve risicoaanvaarding wordt overwogen dat niet in geschil is dat appellanten een benuttingsperiode hebben gehad van 7 maanden. Vanwege de voorbereidingsbescherming van het nieuwe bestemmingsplan was vergunningplichtig bouwen in die periode niet mogelijk. Een gebruikswijziging van tuincentrum naar detailhandel was echter niet vergunningplichtig. Het college van B&W stelt dat het niet is uitgesloten dat in de gebouwen ook zonder verbouwing detailhandel mogelijk was geweest. Van appellanten mocht volgens het college van B&W worden verwacht dat zij de meer lucratieve bestemming voor detailhandel zouden benutten als zij dat hadden gewild. De Afdeling gaat hierin mee. Volgens de Afdeling hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld met een rapport van een deskundige, dat het niet mogelijk was om de bestaande gebouwen zonder verbouwing voor andere vormen van detailhandel te gebruiken. Het college van B&W heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellanten binnen de benuttingsperiode een concrete poging hadden kunnen doen om de percelen te gebruiken voor andere vormen van detailhandel. Dat hebben zij echter niet gedaan en om die reden hebben zij het risico van de planologische verandering passief aanvaard. AbRvS 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:549 (Heumen).

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Ineke


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.