Geen planschade voor het vervallen van tijdelijk voordeel

Niet nieuw, maar wel goed om te herhalen is deze uitspraak van de AbRvS inzake de gemeente Hulst. Appellante, verzoeker om planschade, is eigenares van diverse percelen. Op het moment dat zij deze percelen in eigendom verkreeg vigeerde de bestemming “semi-agrarische doeleinden” met de subbestemming “hoveniersbedrijf/tuincentrum met aanvullend assortiment”. In 2013 stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast, waardoor op de percelen de bestemming “detailhandel” komt te rusten, met de functieaanduiding “tuincentrum”. Niet ter discussie staat dat ter plaatse alle vormen van detailhandel zijn toegestaan. In 2017 is een nieuw bestemmingsplan in werking getreden. Daarmee is de bestemming “detailhandel” uit het oude plan komen te vervallen. Op grond van het nieuwe regime zijn de percelen slechts nog bestemd voor een hoveniersbedrijf, tuincentrum en kwekerij. Appellante verzoekt om een tegemoetkoming in de planschade vanwege het vervallen van de ruime bestemming detailhandel. Het verzoek wordt afgewezen, terecht volgens de rechtbank. En ook de Afdeling gaat hierin mee.

De Afdeling overweegt dat bij de beoordeling van een verzoek om planschade als uitgangspunt geldt dat een redelijk denkend en handelend koper de, op het moment van aankoop geldende, planologische mogelijkheden betrekt bij de koopprijs van de zaak. Een voor de eigenaar van de onroerende zaak gunstige wijziging van het planologische regime na de aankoop, die later weer ongedaan gemaakt wordt voordat de eigenaar dit voordeel te gelde kan maken, is geen reden voor de verstrekking van een planschadevergoeding. Als voor het komen te vervallen van tijdelijk voordeel een tegemoetkoming zou worden toegekend, dan zou de aanvrager een compensatie ontvangen voor voordeel dat hij ten tijde van de aankoop van de zaak niet had en daarom ook niet in de koopprijs heeft verdisconteerd. Dat de appellante in de onderhavige zaak gedurende vier jaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om het voordeel van het oude bestemmingsplan te gelde te maken maakt dit niet anders. Het mislukken van deze pogingen is geen gevolg van de bestemmingswijziging, maar van de strijdigheid van de aanvragen om een omgevingsvergunning met de redelijke eisen van welstand. De gevolgen hiervan komen daarom voor rekening van appellante. AbRvS 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:570 (Hulst).

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Ineke


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.