Passieve risico-aanvaarding bij gronden met een recreatieve bestemming

Onder het oude planologische regime vigeerde op percelen in Harderwijk de bestemming “Recreatieve doeleinden II”. Na inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan is op deze percelen de bestemming “Natuur” komen te rusten. Onder het nieuwe regime mogen deze percelen, anders dan onder het oude regime, niet meer worden gebruikt voor passieve recreatie, watersport en dagtoerisme. De eigenaar van de percelen meende schade te lijden als gevolg van deze wijziging.

De planschadeadviseur van het college van B&W Harderwijk constateerde dat sprake was van schade, maar stelde tevens dat de eigenaar het risico op deze schade passief had aanvaard. De eigenaar had namelijk niet kunnen aantonen dat van een bestendig dagrecreatief gebruik van deze percelen ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan sprake was.

In beroep en hoger beroep strijden partijen over de vraag of er sprake is van passieve risicoaanvaarding. De eigenaren van de percelen stelt dat de percelen altijd als weide voor zonnen, wandelen, fietsen, spelen, etc. in gebruik waren. Dat dit gebruik niet dagelijks plaatsvond, is inherent aan de bestemming “passieve recreatie” en betekent niet dat de gronden niet overeenkomstig de bestemming werden gebruikt.

De Afdeling passeert het betoog van de eigenaar. De Afdeling overweegt dat voor beantwoording van de vraag of de percelen werden gebruikt voor passieve recreatie niet alleen van belang is of de percelen toegankelijk waren, maar ook of de percelen met het oog op dat gebruik waren opengesteld. De enkele omstandigheid dat de percelen feitelijk te betreden waren, betekent immers niet dat deze ook voor passieve recreatie gebruikt mochten en konden worden. Daarvoor is noodzakelijk dat kenbaar is dat de percelen voor dat doel gebruikt mochten en konden worden en aldus daarvoor waren opengesteld. Verder is volgens de Afdeling niet is gebleken dat de gronden met het oog op passieve recreatie waren opengesteld. In dat kader is van belang dat bij de percelen zelf niet was aangegeven, bijvoorbeeld door het plaatsen van een toegangsbord, dat van die percelen gebruik kon en mocht worden gemaakt. Evenmin is dit op andere wijze, bijvoorbeeld door het plaatsen van voorzieningen als een bankje of een prullenbak, kenbaar gemaakt. De Afdeling is derhalve met het college en de rechtbank van oordeel dat sprake is van passieve risicoaanvaarding (AbRvS 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2320).

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Ineke


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.