Partiële voorzienbaarheid, nadelige planologische wijziging

In de uitspraak van de AbRvS van 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3736, staat de voorzienbaarheid van het nieuwe tracé van de Westrandweg te Amsterdam centraal. Zoals vaker het geval is, kent het tracébesluit een lange voorgeschiedenis. In deze zaak staat niet ter discussie dat in de periode van december 1998 tot 22 maart 2004 geen voorzienbaarheid kan worden tegengeworpen aan degenen die in die periode op de betreffende locatie een onroerende zaak kochten. In die periode zijn door Rijkswaterstaat namelijk brieven gestuurd aan omwonenden en makelaars dat het tracé naar verwachting niet zou worden aangelegd.

In maart/mei 1997 hebben appellant A en appellant B het perceel met daarop een woning gekocht en geleverd gekregen. Op 14 juli 1999 is de eigendom van het perceel overgedragen aan de stichting. De statutaire doelstelling van de stichting is het administreren en beheren van de vermogensrechten van de certificaathouders. Appellant A, appellant B en appellant C zijn bestuurders van de stichting en ook houders van alle certificaten.

Dat de stichting het perceel in 1999, derhalve in de periode waarin de aanleg van de Westrandweg tijdelijk niet voorzienbaar was, heeft aangekocht, leidt niet tot het oordeel dat de minister gehouden is de gestelde waardedaling van het perceel geheel te vergoeden. Volgens de aktes van levering van 6 maart 1997 en 23 mei 1997 is het perceel op die data geleverd aan appellant A en appellant B. In die periode was de aanleg van de Westrandweg wél voorzienbaar en worden zij geacht de ten tijde van de koop bestaande planologische mogelijkheden te hebben aanvaard en te hebben verdisconteerd in de aankoopprijs. Dat vervolgens op 14 juli 1999 het perceel is geleverd aan de stichting, waarvan beiden samen met appellant C bestuurders en certificaathouders zijn, maakt dit niet anders. Deze overdracht kan niet als een investeringsbeslissing worden beschouwd. Daarvoor is onvoldoende dat de stichting een te onderscheiden rechtspersoon is. In dit geval is er sprake van zodanige verbondenheid tussen koper en verkoper dat overdracht aan de stichting niet tot gevolg heeft dat risico-aanvaarding niet langer kan worden tegengeworpen. De bestuurders van de stichting zijn natuurlijke personen, die toen zij het perceel kochten op de hoogte waren van de komst van de Westrandweg en geacht worden dat in de prijs te hebben verdisconteerd.

De voorzienbaarheid die aan appellant A en appellant B kan worden tegengeworpen, kan niet aan appellant C worden tegengeworpen, omdat hij niet betrokken was bij de aankoop van het perceel in 1997. Nu het nadeel door de door de minister ingeschakelde deskundigencommissie in de adviezen van 4 oktober 2012 en 14 april 2014 is begroot op € 25.000,00, komt een derde deel hiervan, afgerond € 8.350,00 voor vergoeding in aanmerking.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Ineke


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.