Opnieuw ter inzage leggen; de uitleg van het mer-begrip ‘geïntegreerde chemische installatie’

De uitspraak van de ABRvS van 27 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2157) over een omgevingsvergunning voor de oprichting van een vergistingsinstallatie (o.a. mest) is om twee redenen van belang. Allereerst omdat daarin de vraag aan de orde is, wanneer een ontwerp-vergunning die nadien wordt gewijzigd opnieuw ter inzage moet worden gelegd. Gedeputeerde staten van Limburg vonden dat niet nodig, hoewel de gewijzigde aanvraag onder andere voorzag in de toevoeging van een hal van 42,3 bij 34,9 meter en met een hoogte van 9 meter. Het zal niet verbazen dat de ABRvS hier anders over denkt. Zij verwijst naar haar vaste lijn dat hernieuwde terinzagelegging alleen niet nodig is als het gaat om wijzigingen van ondergeschikte aard, dan wel aannemelijk is dat derden door de wijziging niet worden benadeeld en oordeelt dat beide criteria zijn geschonden.
Daarnaast is de uitspraak van belang wegens de uitleg van het begrijp ‘geïntegreerde chemische installatie’ in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer (categorie 21.6), In discussie was of wel was voldaan aan de vier cumulatieve vereisten die categorie C 21.6 noemt Een van deze vereisten is dat de installatie moet bestaan uitverscheidene eenheden die naast elkaar bestaan en functioneel verbonden zijn. In een uitspraak uit 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BE8864) had de ABRvS hieraan een uitleg gegeven die, zoals de ABRvS nu constateert, niet valt te herleiden tot de mer-richtlijn. Daar komt zij nu op terug. Het gevolg van de nieuwe uitleg is dat voor de installatie een mer had moeten worden opgesteld. Gedeputeerde staten hadden daarom de aanvraag buiten behandeling moeten laten.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Jan


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.