Onttrekkingsvergunning, wanneer is sprake van een woning?

Een beetje een vreemde eend in onze flits is deze uitspraak over de Huisvestingswet, maar gelet op het belang voor de praktijk is toch besloten deze op te nemen. In de uitspraak van de AbRvS 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:435 gaat het om een besluit van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Amsterdam Centrum tot het weigeren van een ontrekkingsvergunning voor de wijziging van het voormalig verpleeghuis de Wittenberg naar short stay.

De discussie spitst zich toe op de vraag of een deel van het verpleeghuis moet worden aangemerkt als woonruimte als bedoeld in art. 1 aanhef en onder b Huisvestingswet. In de wetsgeschiedenis staat dat onzelfstandige woningen ook als woning kunnen worden aangemerkt indien deze zijn bestemd of geschikt zijn voor bewoning door één huishouden. De betekenis van het begrip bewoning is gelijk aan de betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt gehecht. Het begrip huishouden houdt in dat wel van een afzonderlijke bewoning – of mogelijkheid van bewoning – sprake moet zijn. Niet elke kamer van een eengezinswoning is een woonruimte. Dit is slechts anders wanneer een dergelijke woning bijvoorbeeld kamersgewijs wordt verhuurd.”

Het deel van het verpleeghuis waarover discussie werd gevoerd, was een traditioneel ingericht, met meerpersoons kamers, waar de bedden door een gordijn konden worden afgeschermd. Dit wordt door de rechtbank aangemerkt als woonruimte in de zin van de Huisvestingswet omdat deze ruimten door het gordijn voldoende konden worden afgeschermd en de bewoners gebruik konden maken van gezamenlijke keukens en toiletvoorzieningen. Verder is relevant dat het verblijf van de personen die in het tehuis werden verzorgd een permanent karakter had en de bewoners ingeschreven stonden in de basisadministratie (thans: basisregistratie personen). De aanvrager van de vergunning kon zich daar niet mee verenigen. Zij wijst op het feit dat de afscherming van een bed met een gordijn niet worden aangemerkt als een besloten ruimte en dus niet als woning omdat daarvan alleen sprake is bij een ruimte die door wanden is omsloten.

Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van mening dat dit deel van het verpleegtehuis niet als woonruimte kan worden aangemerkt, nu in de meerpersoonskamers meer huishoudens verbleven en in de definitie van de Huisvestingswet woonruimte is bedoeld voor het huisvesten van één huishouden. Verder is de Afdeling van oordeel dat een met een gordijn afgeschermd bed niet kan worden aangemerkt als een besloten ruimte. Een gordijn biedt weliswaar enige privacy doordat het zicht wordt afgeschermd, maar sluit een ruimte niet zodanig af dat die naar algemeen spraakgebruik door een huishouden kan worden bewoond.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.