Na tussenuitspraak geen nieuwe gronden die tegen oorspronkelijk besluit konden worden aangevoerd

Bij tussenuitspraak van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:531, heeft de Afdeling overwogen dat de raad van de gemeente Molenlanden een tweetal gebreken in bestemmingsplan “Noordeloos, [locatie 1]” moet herstellen. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 15 juli 2021 het bestemmingsplan opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.

Appellant sub 2 en appellant sub 3 kunnen zich niet verenigen met de plandelen met de bestemmingen “Wonen”, “Tuin” en “Agrarisch” op het perceel [locatie B].

In AbRvS 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:952, ziet de Afdeling zich bij de beroepen van deze appellanten in de eerste plaats voor de vraag gesteld of die beroepen ontvankelijk zijn. De Afdeling stelt vast dat appellanten geen beroep hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit van 7 mei 2019. Volgens de Afdeling zijn er geen gronden die moeten leiden tot het oordeel dat hun redelijkerwijs niet valt te verwijten dat zij tegen het besluit van 7 mei 2019 geen beroep hebben ingesteld. Dit betekent volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2020:1354, dat appellanten in hun beroep tegen het besluit van 15 juli 2021 alleen dan kunnen worden ontvangen indien en voor zover zij door dat besluit in een nadeligere positie zijn gebracht.

Volgens de Afdeling brengen de aanpassingen van de plandelen appellanten niet in een nadeligere positie. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de beroepen van appellanten niet-ontvankelijk zijn.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.