Kring belanghebbenden en teruggeven delegatiebesluit

In de uitspraak van de AbRvS van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:471, gaat het om een in het oog springend bouwplan voor het oprichten van een kunstwerk met daarin een woonhuis. Het kunstwerk heeft de vorm van een insect. Het bouwwerk is 12 meter hoog, 15 meter breed en 43 meter breed.

De kring van belanghebbenden is in deze zaak ruim. De afstand van de woningen van de opponenten tot het bouwplan bedraagt ongeveer 100 tot 400 m. De Afdeling bevestigt dat het er niet om gaat dat omwonenden vanuit hun woning zicht hebben op het te realiseren insecthuis, maar of zij vanaf hun perceel daarop zicht hebben. Dit is het geval. Mede gelet op de voorziene omvang van het bouwwerk, alsmede de openheid van het gebied, voornamelijk bestaande uit weidegronden, is deze afstand niet te groot. Verder wordt betrokken dat in de landschappelijke inpassing bij het projectbesluit wordt voorzien in paden, zodat recreanten het insecthuis kunnen bekijken, waardoor naast de omvang ook het karakter van het insecthuis tot een grotere ruimtelijke uitstraling leidt dan een reguliere woning.

Het college van de gemeente Tubbergen had toestemming verleend voor het bouwplan met een projectbesluit en een daaraan gekoppelde bouwvergunning. Aan de besluitvorming was de voorwaarde verbonden dat het verboden is om het insecthuis als woonhuis te gebruiken voordat het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Albergen” rechtskracht heeft gekregen. De rechtbank heeft deze besluitvorming vernietigd, onder meer omdat deze voorwaarde in strijd is met de rechtszekerheid. De aanvrager is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gegaan.

De reden dat de rechtbank tot dit oordeel is gekomen vloeit onder meer voort uit het feit dat de gestelde voorwaarde niet in vervulling zou kunnen gaan. Bij besluit van 6 oktober 2014 had de raad van Tubbergen namelijk besloten om het betreffende bestemmingsplan niet vast te stellen. De Afdeling accordeert dit oordeel van de rechtbank. In de voorwaarde was vermeld dat het verboden is om het insecthuis als woonhuis te gebruiken voordat het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan rechtskracht had gekregen, zonder dat echter in de voorwaarde is vermeld welke inhoud dat bestemmingsplan dan zal moeten hebben. Nu de voorwaarde wat haar inhoud betreft onduidelijk is, is de voorwaarde in strijd met de rechtszekerheid. Bovendien overweegt de Afdeling dat de voorwaarde in strijd met het systeem zoals neergelegd in artikel 3.10 Wro, zoals dat gold ten tijde van belang. Op grond van het vierde lid van die bepaling kan de raad zijn bevoegdheid om een projectbesluit te nemen delegeren aan het college, hetgeen hij ook heeft gedaan. Als gevolg hiervan kan de raad die bevoegdheid ingevolge artikel 10:17 van de Awb niet meer zelf uitoefenen. Met het verbinden van de voorwaarde aan de besluiten van 18 maart 2014 heeft het college de bevoegdheid om te beslissen of het gebruik van het insecthuis ruimtelijk aanvaardbaar is in feite weer teruggelegd bij de raad.

Uiteindelijk wordt de vergunning in een besluit ingevolge art. 6:19 Awb alsnog door het college geweigerd. Dit weigeringsbesluit blijft in deze uitspraak stand.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.