Kort na herziening bplan proactieve aanwijzing?

Het college van GS van Overijssel heeft aan de gemeenteraad van Hardenberg een proactieve aanwijzing (in de zin van artikel 4.2, lid 1 Wro) gegeven om een voor een locatie geldende woonbestemming te wijzigen in een recreatieve bestemming. Achtergrond hiervan is het provinciale beleid dat recreatiewoningen beschikbaar dienen te blijven voor recreatief gebruik om te voorkomen dat voor de bouw van nieuwe recreatiewoningen (opnieuw) beslag wordt gelegd op de groene omgeving. Voorts wordt beoogd om verdergaande versnippering en verstening van de groene omgeving en aantasting van het landschap te voorkomen.

De betreffende woonbestemming was recent toegekend, te weten in 2013. De eigenaar van het betreffende perceel komt op tegen de proactieve aanwijzing en beroept zich erop dat hij erop mocht vertrouwen dat het perceel een woonbestemming zou behouden. De Afdeling ziet zich vanwege deze beroepsgrond voor de vraag gesteld of GS zo kort na de bestemmingsplanprocedure waarin de woonbestemming was toegekend, een proactieve aanwijzing kunnen geven.

De Afdeling stelt in dat kader vast dat GS zich in 2013 niet in de planologische procedure hebben gemengd, en dus ook tegen het ontwerpplan geen zienswijze hebben ingediend. Om die reden hadden zij toen niet de mogelijkheid om in die procedure alsnog een reactieve aanwijzing te geven. GS geven voor deze handelwijze als verklaring dat zij er vanwege een met de gemeente gesloten convenant vanuit gingen dat het plan nog zou worden aangepast.

De Afdeling overweegt dat, indien de provinciale belangen dat noodzakelijk maken, artikel 3.8, zesde lid, van de Wro noch het systeem van de Wro zich verzet tegen het geven van een proactieve aanwijzing nadat het college in een procedure omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan geen gebruik heeft gemaakt van de tot haar beschikking staande wettelijke middelen als het geven van een reactieve aanwijzing of het instellen van beroep.

De Afdeling komt vervolgens tot de conclusie dat GS in dit geval in redelijkheid gebruik hebben kunnen maken van de mogelijkheid om een proactieve aanwijzing te geven. Daarvoor acht de Afdeling een aantal omstandigheden van belang. In de eerste plaats acht de Afdeling van belang dat de recreatiewoning sinds 2007 (toen appellant eigenaar werd) nooit is gebruikt voor permanente bewoning. De Afdeling overweegt vervolgens dat appellant op zichzelf terecht betoogt dat, nu zijn recreatiewoning reeds is gerealiseerd, een woonbestemming voor zijn perceel niet leidt tot verdere versnippering van de groene omgeving, maar dat dit niet leidt tot het oordeel dat GS zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat recreatiewoningen als zodanig beschikbaar dienen te blijven om te voorzien in de behoefte aan recreatief gebruik. Tot slot oordeelt de Afdeling in dit kader dat het beroep op gelijke gevallen en op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Monique.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.