Handhaving wegens strijd woonbestemming

De eerste uitspraak van de AbRvS d.d. 16 juli 2014, nr. 201305075/1/A1, gaat over een afwijzing van een verzoek om handhavend op te treden tegen het repareren en verhandelen van motorvoertuigen op een perceel met een gedeeltelijke woonbestemming. Volgens het college is geen sprake van strijd met de woonbestemming, nu afspraken zijn gemaakt met degene die de motorvoertuigen repareert en verhandelt. Deze afspraken houden in dat permanent 3 auto’s aanwezig mogen zijn ter reparatie en er daarnaast 12 auto’s per jaar vanaf het perceel mogen worden verhandeld.

De AbRvS overweegt eerst in algemene zin (zoals zij al in meerdere uitspraken heeft gedaan) dat de vraag of sprake is van gebruik in strijd met een woonbestemming dient te worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet valt te rijmen met de woonfunctie. Binnen dit kader kan van belang zijn, maar is niet doorslaggevend, of de activiteiten een beroepsmatig of een hobbymatig karakter hebben. De woonfunctie woonfunctie moet in overwegende mate gehandhaafd blijven en er mag geen ernstige hinder of afbreuk aan het woonmilieu worden toegebracht. De woonfunctie moet in ruimtelijke en in visuele zin primair blijven.

Vervolgens oordeelt de AbRvS over de concrete situatie die voorligt dat de afspraken die het college heeft gemaakt, niet uitsluiten dat op meer dan incidentele schaal reparatie van en handel in auto’s op het perceel plaatsvindt, zodanig dat dit zich niet verhoudt met de woonbestemming van het perceel. De afspraken maken het mogelijk dat een onbeperkt aantal auto’s op het perceel wordt gerepareerd, zolang er maar niet meer dan 3 auto’s tegelijkertijd op het perceel bevinden. Ook kan geen strikt onderscheid tussen het repareren en het verhandelen van auto’s worden gemaakt. Het onderscheid tussen reparatie en handel is bovendien niet handhaafbaar. Het hoger beroep is dan ook gegrond.

Procedureel is nog noemenswaardig dat de AbRvS met toepassing van art. 8:113, tweede lid, van de Awb bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts beroep bij haar kan worden ingesteld.

De tweede noemenswaardige uitspraak van de AbRvS, met nr. 201309290/1/A1, gaat over de vraag of het beroepsmatig geven van hondentrainingen binnen een woonbestemming past. Het college van burgemeester en wethouders van Raalte vond van niet, en legde een last onder dwangsom op.

De rechtbank had het hiertegen door een derde ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en haar uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit gesteld. Daarbij is aan overtreder gelast het structureel en/of tegen betaling geven van hondengedragstrainingen, zowel groepslessen als privétrainingen, op het perceel te beëindigen. De rechtbank specificeerde dus de verboden gedragingen.

De AbRvS is het met de rechtbank eens. De rechtbank heeft volgens haar terecht van belang heeft geacht dat bij de beantwoording van de vraag of het geven van hondengedragstrainingen onder het begrip kleinschalige beroepen- en bedrijven-aan-huis kan worden geschaard, van belang is om te bepalen of de effecten van die trainingen op de omgeving zodanig zijn dat deze in ruimtelijk opzicht passend bij de woonfunctie kunnen worden geacht. Bij trainingen, al dan niet met stemverheffing, worden commando’s gegeven, hetgeen tot een staccato stemgeluid leidt. Iedere vorm van het op beroepsmatige wijze geven van hondentrainingen, heeft mede vanwege de daarmee gepaard gaande stemproductie, een ruimtelijke uitstraling die niet meer bij een woonfunctie past.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.