Decathlon. Ontheffing van provinciale verordening.

30 oktober 2020

Schiedam en Den Haag willen beide een Decathlon. Zuid-Holland niet. Daarover loopt een lange juridische strijd. Na eerdere uitspraken is nu AbRvS 28 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2570) verschenen. Centraal staan de weigeringen van GS Zuid-Holland ontheffing te verlenen van de provinciale ruimtelijke verordening; de versie laat ik onbesproken want ook daarover is gesteggeld. Kort en goed: volgens de verordening voorziet een bestemmingsplan uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden binnen of direct aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken. GS kunnen ontheffing verlenen “voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen” maar die geven zij in dit geval aan Schiedam en Den Haag dus niet.

In de parlementaire geschiedenis van artikel 4.1a Wro wordt over de ontheffingsmogelijkheid het volgende vermeld: “Voor een verlening van een ontheffing komen […] gevallen in aanmerking waarbij een onverkorte toepassing van de algemene regel zou leiden tot gevolgen die onevenredig nadelig zijn in verhouding tot het met de algemene regel te dienen nationale belang. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het toestaan van een wenselijke innovatieve ruimtelijke ontwikkeling, die van een zodanig groot belang wordt geacht dat in dat concrete geval de algemene regel buiten toepassing zou moeten blijven.” Volgens de Afdeling moet van de ontheffingsmogelijkheid een terughoudend gebruik worden gemaakt en moeten de bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 4.1a van de Wro zijn gelegen in de ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling waarvoor de ontheffing is gevraagd.

Wat Decathlon aangaat: GS Zuid-Holland hebben het “try & buy”-concept volgens de Afdeling in redelijkheid kunnen aanmerken als niet zodanig innovatief als bedoeld in de parlementaire geschiedenis. Daarbij hebben GS in aanmerking kunnen nemen dat geen sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling met een zodanig belangrijk innovatief karakter dat om die reden had moeten worden afgeweken van de regel dat detailhandel die qua aard of omvang van de aangeboden goederen inpasbaar is in de centra zich niet buiten de centra mag vestigen.

Volgens B&W Schiedam en anderen richten GS zich niet op de eerder in overeenstemming met de Dienstenrichtlijn geoordeelde dwingende reden van bescherming van het stedelijke milieu (het voorkomen van leegstand en aantasting van de leefbaarheid), maar op het bieden van een zo compleet mogelijk aanbod aan voorzieningen, goed bereikbare en goed ontsloten locaties, vermindering van autoverkeer en het concentreren van detailhandel in de centra.

Volgens de Afdeling wijken die doelen niet af van de in een eerdere uitspraak als dwingende reden van algemeen belang aanvaarde doelen. Het gaat hier volgens de Afdeling aanvullende doelen; de hoofddoelen blijven de eigenlijke, bepalende doelen. De genoemde aanvullende doelen dragen bij aan het bereiken van de hoofddoelen. Uit de desbetreffende eerdere Afdelingsuitspraak vloeit niet voort dat aanvullende doelen geen enkele rol mogen spelen.

Er spelen nog allerlei discussies over andere aspecten, waarbij partijen zich op allerlei rapporten beroepen. Uiteindelijk oordeelt de Afdeling dat GS Zuid-Holland aannemelijk hebben gemaakt dat vestiging van de betrokken Decathlonvestigingen een merkbare invloed heeft op de leegstand en de leefbaarheid in centra. Dit betekent dat dat college alleen al daarom redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de beperkingen een zinvolle bijdrage leveren aan de doelen van de provinciale brancheringsregeling.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.