Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en milieu: planschade

23 oktober 2017

Op 18 oktober 2017 heeft de AbRvS twee vergelijkbare uitspraken gewezen over verzoeken om schadevergoeding, die waren ingediend naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Tracébesluit Rijksweg 74 (Venlo) (ECLI:NL:RVS:2017:2805 en ECLI:NL:RVS:2017:2808). De gehele uitspraken zijn lezenswaardig. In deze omgevingsflits zullen twee onderdelen nader wor-den belicht. Verhouding Beleidsregel en planschaderegeling. In het Tracébesluit is bepaald dat de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu van toepassing is op de behandeling van schadever-zoeken als gevolg van het Tracébesluit. Verder is artikel 22 Tracéwet van toe-passing, dat de grondslag biedt voor een naar billijkheid vast te stellen vergoe-ding voor schade als gevolg van een Tracébesluit. Het is vaste rechtspraak dat in artikel 22 Tracéwet slechts in zoverre van de planschaderegeling uit de Wro is afgeweken, dat de minister bevoegd is tot het nemen van een besluit. Voor het overige is de rechtspositie van een belanghebbende niet anders dan bij toepassing van de regeling voor vergoeding van planschade het geval zou zijn geweest (AbRvS 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4394). Tot zover niets nieuws. Wel nieuw is de overweging van de Afdeling over de verhouding tussen de planschaderegeling en de Beleidsregel. In artikel 3 van de Beleidsregel is be-paald dat schade, die minder bedraagt dan € 1.000,- niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat deze geacht wordt onder het normaal maatschappelijk risico te vallen. De vraag is of dit artikel onverkort toegepast moet worden bij verzoeken om schadevergoeding ingevolge artikel 22 Tracéwet. Nee, aldus de Afdeling.

Als de schade minder bedraagt dan € 1.000,-, maar deze volgens de planschaderegeling niet geheel tot het normaal maatschappelijk risico behoort, dan dient de minister de schade te vergoeden. Kortom, artikel 22 Tracéwet en de planschaderegeling uit de Wro prevaleren boven de Beleidsregel. Planologische vergelijking Bij de beoordeling van een schadeverzoek dient te worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische moge-lijkheden. Dat kan voor de ene schadefactor, bijvoorbeeld de aantasting van privacy, een andere invulling zijn dan voor een andere schadefactor, bijvoor-beeld aantasting van het uitzicht, aldus de Afdeling. In het onderhavige geval had de minister dit uitgangspunt onjuist toegepast. De minister was voor de schadefactor geluidsoverlast door verkeer uitgegaan van een geluidsscherm van 2 meter hoogte. Voor de schadefactor reflectiegeluid was een geluids-scherm van 15 meter tot uitgangspunt genomen. Dit kan niet volgens de Afdeling. Hoewel het maken van een planologische vergelijking in hoge mate een abstract karakter heeft, kan dat niet zo ver gaan, dat in de oude situatie op dezelfde plaats en hetzelfde moment zowel geluidschermen met een bouw-hoogte van 2 m als geluidschermen met een bouwhoogte van 15 m hadden kunnen staan. De minister mag derhalve niet per schadefactor een andere invulling aan het oude planologische regime geven. De Afdeling geeft ook een instructie voor het vervolg van de besluitvorming: Indien de minister voor het oude planologische regime bij de ene schadefactor van een bouwhoogte van de geluidschermen van bijvoorbeeld 15 m uitgaat, mag hij in het oude planologische regime bij een andere schadefactor niet van een andere bouwhoogte van de geluidschermen uitgaan. Voor het nieuwe planologische regime mag de minister van een andere bouwhoogte dan bij het oude planologische regime uitgaan. Maar als hij voor de ene schadefactor uitgaat van een bouwhoogte van bijvoorbeeld 6 m, moet dit ook tot uitgangs-punt genomen worden bij andere schadefactoren.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Ineke


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.