Beëindiging niet recreatief verblijf: wat is bewoning?

Het optreden tegen permanente bewoning bezorgt vele gemeentebesturen hoofdbrekens. Indien wordt overgegaan tot bestuursrechtelijke handhaving dient immer het bestuursorgaan te motiveren dat sprake is van een strijdig gebruik. In onderhavige kwestie die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2013, nr. 201311305/1/A3 werd door appellant de vraag opgeroepen of de last wel voldoende rechtszeker was, met name vanwege het begrip ‘bewoning’ wat was opgenomen in de last. De rechtbank oordeelde dat de last onvoldoende rechtszeker was. De Afdeling oordeelde anders.

Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in de last gehanteerde ter ‘bewoning’ onduidelijk is en de last derhalve in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is. Volgens het college volgt onmiskenbaar uit de last dat de bewoning van de recreatiewoning dient te worden beëindigd wegens strijd met het geldende bestemmingsplan en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Niet valt in te zien dat het voor  niet voldoende duidelijk was dat hij niet langer hoofdverblijf in de recreatiewoning mocht innemen, aldus het college.

Ingevolge artikel 5:32a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd dient te zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten omtrent hetgeen gedaan of nagelaten moet worden ten einde toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen (onder meer uitspraak van 13 november 2002 in zaak nr. 200202646/1). Daarbij dient het gehele besluit waarbij de last is opgelegd in ogenschouw te worden genomen. In het besluit van 30 oktober 2012 heeft het college uitvoerig uiteengezet dat aan [appellant sub 2] een last onder dwangsom wordt opgelegd omdat diens gebruik van de recreatiewoning verder strekt dan het krachtens de Wabo en het geldende bestemmingsplan uitsluitend toegestane recreatief verblijf, onder vermelding van de overtreden voorschriften. Uit de overwegingen van het college kan duidelijk worden afgeleid dat het strijdig gebruik van de recreatiewoning door [appellant sub 2] gelegen is in het feit dat hij aldaar zijn hoofdverblijf heeft. Voorts is in het besluit vermeld dat de constatering van de overtreding is gebaseerd op bevindingen tijdens controles bij de recreatiewoning en de omstandigheid dat [appellant sub 2] uitsluitend met een briefadres elders in Nederland in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven. Hieruit heeft [appellant sub 2] redelijkerwijs kunnen opmaken welke omstandigheden van invloed zijn op het hebben van een hoofdverblijf in een recreatiewoning en daarmee ook op de beëindiging daarvan. In het licht hiervan ziet de Afdeling, anders dan de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat in het besluit waarbij de last is opgelegd niet voldoende duidelijk is omschreven op welke wijze [appellant sub 2] aan die last kan voldoen om het verbeuren van een dwangsom te voorkomen.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.