Niet vervallen hinderwetvergunning moet buiten twijfel zijn voor rechten op referentiedatum

17 september 2021

Deze zaak loopt al vanaf 3 november 2011, de datum dat een aanvraag is ingediend voor een natuurvergunning  voor de uitbreiding van de omvang van een pluimveehouderij, van 39.900 naar 82.000 ouderdieren van vleeskuikens in opfok, aan een locatie in Someren. Inmiddels zijn de jaren verstreken en is de aanvrager vele (tussen)uitspraken verder. Zie de tussenuitspraken van 9 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1210) en 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1045)  en de einduitspraak van 14 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3186) waarin de verleende vergunning vernietigd.

Bij uitspraak van 22 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:768) heeft de Afdeling opnieuw de vergunning vernietigd en een termijn gesteld om een nieuw besluit te nemen. Het gaat om de vraag of de stikstofdepositie van een tweetal bedrijven bij de vergunning mocht worden betrokken. De discussie heeft betrekking op de vraag of de Hinderwetvergunningen van deze bedrijven al dan niet gedeeltelijk zijn komen te vervallen. Omdat de bedrijven over bepaalde perioden geen opgave van de dieraantallen hadden gedaan, terwijl zij daartoe wel verplicht waren, is de bewijslast daarmee bij het college komen te liggen.

In de uitspraak van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2085 komt de vraag aan de orde of de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van het college en vergunninghouder in dit geval niet kan worden verlangd dat zij met de landbouwtellinggegevens precies aantonen hoeveel dieren er zijn gehouden in de jaren 1979 tot en met 1985, maar dat het volstaat wanneer zij aannemelijk maken dat er in die jaren in de vergunde stallen op beide bedrijven dieren zijn gehouden.

De Afdeling zet ook in deze uitspraak uiteen dat het bevoegde gezag de zekerheid moet hebben verkregen dat de activiteit geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Dit is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn.

Het moet dus buiten twijfel zijn dat de rechten op de referentiedatum bestonden. De rechtbank heeft dat in deze zaak niet onderkend. Na tien jaar dus nog geen Wnb-vergunning voor het pluimveebedrijf.

Voor meer informatie over deze zaak kunt u contact opnemen met Susan


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.