Grens inrichting en rechtstreekse werking MER richtlijn

GS Groningen verlenen een milieuvergunning (nog op basis van het oude artikel 8.1 Wm) voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het breken en zeven van steenachtige materialen en het scheiden van gemengd bouw- en sloopafval, met gemengd bouw- en sloopafval vergelijkbaar afval en particulier gemengd verbouwingsafval aan de [locatie 1] te Midwolde, gemeente Leek. In de uitspraak AbRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:854, ziet men een aantal aspecten terugkomen die niet nieuw zijn maar toch het lezen waard. Wij lichten er een paar uit.

Om te beginnen zou de inrichting volgens appellanten in de aanvraag onjuist begrensd zijn: een in- en uitrit en een hek behoren volgens hen ook tot de inrichting. De Afdeling herhaalt hier eerdere rechtspraak: het is aan de drijver van een inrichting om te bepalen voor welke inrichting hij vergunning wenst te verkrijgen. Het college dient op de grondslag van die aanvraag te beoordelen of vergunning kan worden verleend. Opvallend is dat de Afdeling wel benadrukt dat het vervolgens de verantwoordelijkheid van de drijver van de inrichting is om de inrichting in overeenstemming met de door hem gevraagde en verkregen vergunning in werking te hebben. Indien de in- en uitrit in de praktijk een deel van de inrichting is, mag deze niet worden gebruikt zonder dat eerst een vergunning is verleend voor het uitbreiden van de inrichting met deze in- en uitrit.

De appellanten betogen verder dat ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld dan wel dat ten onrechte geen beoordeling is gemaakt of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. De Afdeling gaat er vervolgens van uit dat hier het Besluit mer van voor 1 april 2011 nog geldt. In de bijlage bij het Besluit mer dat sindsdien is gaan gelden is een categorie 18.8 opgenomen. Uit onderdeel D categorie 18.8 volgt thans dat er een mer-beoordelingsplicht geldt. Hier geldt het oude Besluit mer en daaruit volgt geen mer-beoordelingsplicht. In bijlage II, onder 11e, bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling is de opslag van schroot aangemerkt als project waarvoor een mer-beoordeling moet worden gemaakt. Deze verplichting is niet in het Besluit mer, zoals dat luidde vóór 1 april 2011, geïmplementeerd. Geldt er in deze zaak nu wel of geen mer-beoordelingsplicht? De Afdeling wijst op het bekende Wells-arrest: artikel 2.1, eerste lid, jo. artikel 4, tweede lid, van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling heeft rechtstreekse werking. (Het gaat hier onzes inziens om het leerstuk van de doorbreking van het verbod van rechtstreekse werking van Europese richtlijnen in driepartijenverhoudingen.) Oftewel: de mer-beoordeling had hier verricht moeten worden. Het besluit tot vergunningverlening sneuvelt wegens een onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.