Belangenafweging: natuur en agrarisch bedrijf

In de uitspraak van de AbRvS, nr. 201401834/1/R6 is een Nbw vergunning voor de zomerbedverlaging en de herinrichting van de uiterwaarden van de IJssel aan de orde. De vergunning is verleend ter uitvoering van de PKB “Ruimte voor de Rivier”. Het projectplan en de uitvoeringsbesluiten voorzien in de vergraving van het zomerbed van de IJssel over een lengte van 7,5 km, bij Kampen aan de monding van de rivier. Hiermee wordt een verlaging van de waterstand beoogd. Het projectplan strekt tevens tot het leveren van een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van het projectgebied.

Een van de appellanten, die een melkrundveehouderij exploiteert komt in beroep omdat de verleende vergunning leidt tot een ernstige beperking van haar bedrijfsvoering: een deel van de gepachte gronden in de uiterwaarden wordt onttrokken aan de agrarische bedrijfsvoering. De herinrichting van de uiterwaarden dient volgens appellante enkel het belang van de natuurontwikkeling. De herinrichting is niet noodzakelijk voor de veiligheid bij overstromingen.

De Afdeling oordeelt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beoogde natuurfunctie niet verenigbaar is met het agrarische gebruik van de door appellante gepachte gronden. Het college van burgemeester en wethouders heeft in redelijkheid het belang bij de ontwikkeling van zeldzame habitattypen in de uiterwaard Zalkerbosch zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van appellante bij een ongestoorde voortzetting van haar agrarische bedrijfsvoering. Het volgende wordt daartoe overwogen:

De maatregelen in de uiterwaard Zalkerbosch zijn gericht op de ontwikkeling van twee beschermde en betrekkelijk zeldzame habitattypen: hardhoutooibos en stroomdalgrasland. Door het effect van de zomerbedverlaging verslechteren de condities voor deze habitattypen in de beneden-IJssel. Door middel van eenvoudige ingrepen zijn de condities in het Zalkerbosch ook na aanleg van de zomerbedverlaging zeer geschikt voor de ontwikkeling van hardhoutooibos en stroomdalgrasland. Voor de ontwikkeling van stroomdalgrasland dient de bovenste bodemlaag te worden afgegraven, waardoor de bodem voedselarmer wordt en de kalkrijke onderlaag aan de oppervlakte komt te liggen. Ook dient de aanvoer van fosfaat en stikstof te worden beëindigd. Hieruit volgt dat de bemesting van deze gronden gestaakt dient te worden. Voor de aanleg van het hardhoutooibos worden de graszoden omgeploegd en verwijderd. Het gebied wordt afgerasterd zodat de jonge bomen zich kunnen ontwikkelen. Een agrarisch (mede)gebruik van de gronden waarop het habitattype hardhoutooibossen wordt ontwikkeld is niet mogelijk.

Tot slot is nog noemenswaardig dat een van de appellanten een beroep doet op een onjuiste belangenafweging in verband met de beëindiging van een agrarisch bedrijf in de directe nabijheid van het gebied waarin het stroomdalgrasland zal worden ontwikkeld. Gesteld wordt dat de mogelijkheid wordt ontnomen om in de toekomst zelf de emissierechten van dit bedrijf te verkrijgen en deze emissierechten bij wijze van saldering als bedoeld in artikel 19kd, eerste lid, onder b, van de Nbw 1998 in te zetten voor de verhoging van de stikstofuitstoot van haar eigen bedrijf. De Afdeling is van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders in redelijkheid geen rekening behoefde te houden met de omstandigheid dat appellante in zoverre een potentiële salderingsmogelijkheid wordt ontnomen, reeds omdat niet gebleken is van een concreet uitbreidingsvoornemen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.