Afschot edelherten Oostvaardersplassen, art. 3:17 Wnb in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen en incidenteel beroep

18 september 2020

In de uitspraak van de AbRvS van 16 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2210) gaat het om een hoger beroepzaak (ingesteld door GS en Staatsbosbeheer) met betrekking tot een verleende ontheffing ingevolge art. 3:17 Wnb om een populatie edelherten die leven in de Oostvaardersplassen, door afschot te beperken tot het aantal van 490. De rechtbank Midden-Nederland heeft de opdracht tot afschot herroepen (19/1544 en 19/1619).

Overigens heeft de Faunabescherming incidenteel beroep ingediend, waarbij het haar ging om de gronden van beroep waaraan de rechtbank niet was toegekomen omdat het beroep op andere gronden, gegrond was verklaard. Naar het oordeel van de Afdeling is het niet mogelijk dat Faunabescherming in een gunstiger positie komt te verkeren dan na de uitspraak van de rechtbank. Er is geen sprake van een incidenteel hoger beroepschrift ingevolge art. 8:110, eerste lid Awb (zie ook ECLI:NL:RVS:2019:113). Dit neemt niet weg dat de Afdeling de betreffende gronden alsnóg beoordeeld in deze zaak vanwege het feit dat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigt.

In het hoger beroep is (onder meer) de vraag aan de orde of wordt voldaan aan het noodzaakcriterium bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats. Het is, volgens de Afdeling, in lijn met de uitspraak van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3510), dat de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied niet doorslaggevend zijn voor de beantwoording van de vraag of er schade aan flora en fauna optreedt. Deze kunnen wel een rol spelen bij de beoordeling of de opdracht uitvoerbaar is. Als de opdracht significante effecten kan hebben, is een Wnb-vergunning ingevolge art. 2.7 vereist. Deze vergunning is overigens verleend.

In het verleden is bewust gekozen voor de introductie van grote grazers om droog rietland en ruwtes te laten begrazen, maar dat betekent niet dat niet meer kan worden geconcludeerd dat de grote toename van het aantal grote grazers de biodiversiteit in het gebied bedreigt. Bij het geven van de opdracht tot afschot was GS niet gebonden aan het beheerplan, wat er ook van zij dat de opdracht daarmee in strijd zou zijn. De noodzakelijke bescherming van flora en fauna is voldoende onderbouwd.

Met betrekking tot de onderbouwing van de doelstand is de Afdeling in tegenstelling tot de rechtbank van oordeel dat deze eveneens voldoende is onderbouwd. Doorslaggevend is niet de aard van het rapport (een beleidsstuk) maar of daarin voldoende is onderbouwd of aan de vereisten van de Wnb kan worden voldaan.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.