Voorwaardelijke ontheffing art. 68 Ffw en art. 8:113, tweede lid Awb

In de uitspraak van de AbRvS van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2607 is hoger beroep ingesteld door de Vogelbescherming tegen een verleende ontheffing op grond van art. 68 Ffw. In het primaire besluit ging het om –kort gezegd- het doden en verjagen van verschillende soorten ganzen in alle wilbeheereenheden in Overijssel.

De rechtbank heeft, samenvattend, overwogen dat slechts in een deel van de wildbeheereenheden in het verleden schade is aangericht door de ganzen en slechts in een deel van die wildbeheereenheden eerder een ontheffing van toepassing geweest. Voor de wildbeheereenheden waar in het verleden geen schade is aangericht door de betreffende ganzensoort in de betreffende periode en evenmin een ontheffing was verleend voor die ganzensoort in die periode, acht de rechtbank de aanwezigheid van een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen onvoldoende gemotiveerd.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat de ontheffing, voor zover verleend voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot, nadat eenmalig door de provinciale toezichthouder is geconstateerd dat zich daadwerkelijk belangrijke schade voordoet, niet in strijd is met artikel 68, eerste lid, van de Ffw.

Van belang is dat de vergunninghouder en het college geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Wél is de ontheffing, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank ingevolge art. 6:19 Awb gewijzigd.

De Afdeling gaat in ro. 3.2 van de uitspraak in op jurisprudentie van het Hof van Justitie. Vervolgens verwijst de Afdeling naar de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067 waaruit blijkt dat aan het in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw gestelde vereiste van belangrijke schade is voldaan, indien is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade.

Naar het oordeel van de Afdeling moet aan het besluit waarbij ontheffing wordt verleend bewijs worden geleverd dat aan de voorwaarden wordt voldaan en moet dat besluit steunen op een nauwkeurige en treffende motivering. Voor het bewijs dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade voordoet, mocht het college niet slechts verwijzen naar een in de toekomst door een provinciaal toezichthouder te geven oordeel (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067).

De rechtbank heeft, naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte niet onderkend dat de ontheffing, nadat eenmalig door de provinciale toezichthouder is geconstateerd dat zich daadwerkelijk belangrijke schade voordoet, in strijd met artikel 68, eerste lid, van de Ffw is verleend.

In het wijzigingsbesluit heeft het college toegelicht dat in alle wildbeheereenheden waarvoor een voorwaardelijke ontheffing wordt verleend, percelen liggen waarop schadegevoelige gewassen worden geteeld, zoals overjarig grasland. In het bij de Afdeling ingediende verweerschrift heeft het college toegelicht dat de wildbeheereenheden waar in het verleden belangrijke schade is geconstateerd verspreid liggen over de gehele provincie en dat de dreiging van schade wordt versterkt doordat de omstandigheid dat een ontheffing wordt gebruikt in verscheidene wildbeheereenheden in Overijssel er toe leidt dat de ganzen in die wildbeheereenheden naar andere wildbeheereenheden zullen uitwijken. Ter zitting van de Afdeling heeft het college nog toegelicht dat het aantal wildbeheereenheden in Overijssel waarin zich een schadegeval heeft voorgedaan, groeit en dat aanwezige ganzen een aantrekkende werking hebben op overvliegende ganzen.

Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee niet het geconstateerde motiveringsgebrek hersteld. De ingenomen standpunten zijn onvoldoende gemotiveerd. De door het college in het verweerschrift en ter zitting van de Afdeling gegeven toelichting is niet in het besluit van 21 september 2015 opgenomen. Bovendien zijn de daarbij ingenomen standpunten evenmin gemotiveerd of met stukken, zoals deskundigenrapporten, gestaafd.

De bestreden besluiten worden vernietigd door de Afdeling. Noemenswaardig is dat de Afdeling geen bestuurlijke lus toepast, maar bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit bij de Afdeling slechts beroep kan worden ingesteld met het oog op een efficiënte geschillenbeslechting (zie art. 8:113, tweede lid Awb).

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.