Vestiging hoveniersbedrijf niet in strijd met provinciale verordening

28 augustus 2017

AbRvS 9 augustus 2017, ECLI:RVS:2017:2183. Op 12 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan “Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied Zundert” vastgesteld. In het plan is aan perceel [locatie] te Rijsbergen de aanduiding “bomenteelt” toegekend en ter plaatse van een bestaande loods op dit perceel de aanduiding “nevenactiviteiten, hoveniersbedrijf”. De raad wil daarmee een boomteeltbedrijf en een hoveniersbedrijf, die in het voorheen geldende bestemmingsplan volgens hem abusievelijk niet waren opgenomen, alsnog positief bestemmen. Appellant stelt dat de nieuwe vestiging van een hoveniersbedrijf in strijd is met artikel 6.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de provinciale Verordening ruimte 2014. Ingevolge deze bepaling kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger. Volgens de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009, waarnaar in de Verordening 2014 wordt verwezen, behoort een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlak groter dan 500 m2 tot milieucategorie 3.1. De raad stelt volgens appellant ten onrechte dat het bedrijfsoppervlak kleiner is dan 500 m2 omdat alleen de bestaande loods van 315 m2 voor het hoveniersbedrijf wordt gebruikt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 10 februari 2010, ECLI:RVS:2010:BL3330, moeten ook de bedrijfsactiviteiten die buiten de gebouwen kunnen worden uitgeoefend worden meegerekend tot het bedrijfsoppervlak als bedoeld in de VNG-brochure. De Afdeling overweegt dat de aanduiding “nevenactiviteiten, hoveniersbedrijf” op de verbeelding uitsluitend is toegekend aan de bestaande loods op het perceel. Deze loods heeft een oppervlakte van circa 315 m2. In de door appellant genoemde uitspraak van 10 februari 2010 is ook de oppervlakte buiten bedrijfsgebouwen tot het bedrijfsoppervlak gerekend als bedoeld in de VNG-brochure, omdat aan het gehele perceel een bedrijfsbestemming was toegekend. Dat is hier, gezien de begrenzing van de aanduiding, niet het geval. Het betoog van appellant op dit punt faalt. In de uitspraak oordeelt de Afdeling ook, zoals zij eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 26 maart 2014, ECLI:RVS:2014:1085, dat het enkele gegeven dat een bestaande situatie aan de orde is niet betekent dat in het geheel geen betekenis behoeft te worden toegekend aan de milieuhygiënische gevolgen van een boomgaard voor de omgeving. Het laten voortbestaan van een bestaande historisch gegroeide situatie kan onder omstandigheden in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, indien blijkt dat de nadelige gevolgen hiervan zo groot zijn dat deze in redelijkheid niet langer aanvaardbaar kunnen worden geacht. Dit is met name het geval indien de gezondheid van omwonenden niet kan worden gegarandeerd.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.