Verhouding Rijksinpassingsplan en bestemmingsplan

In delen van Rilland (gemeente Reimerswaal) geldt rijksinpassingsplan Hoogspanningsstation Rilland (NL.IMRO.0000.EZip14StatRilland-3000). Volgens planregel 12.2, onder a, kunnen de gemeenteraad van Reimerswaal en Provinciale Staten van Zeeland een bestemmingsplan respectievelijk inpassingsplan vaststellen, indien daarbij wordt voorzien in de bestemmingen, aanduidingen en de planregels zoals neergelegd in dit inpassingsplan.

De gemeenteraad van Reimerswaal stelt een bestemmingsplan “Buitengebied, 3e herziening” vast. Dat voorziet niet in het 380 kV-hoogspanningsstation, met daarop aansluitende bovengrondse hoogspanningsverbindingen en voorzieningen, zoals dat wel is neergelegd in het rijksinpassingsplan.

Het is dus niet verwonderlijk dat het gemeentelijke bestemmingsplan op de beroepen van de minister van EZ en Tennet B.V. onderuitgaat in AbRvS 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1043. De Afdeling wijst op artikel 3.28, lid 5, Wro, gelezen in samenhang met artikel 12.2, onder a, van de regels van het rijksinpassingsplan: de bevoegdheid van de raad om voor de gronden waarop het rijksinpassingsplan betrekking heeft een bestemmingsplan anders dan het rijksinpassingsplan vast te stellen, is vanaf de terinzagelegging van het ontwerp rijksinpassingsplan op 5 juni 2015 tot tien jaar na de vaststelling van het rijksinpassingsplan uitgesloten. Op zich gelet op artikel 3.28 lid 5 Wro een begrijpelijke uitspraak. Onzes inziens is artikel 12.2, onder a, van het rijksinpassingsplan toch wel enigszins merkwaardig. Waarom liet dat toe dat de gemeenteraad een bestemmingsplan voor dezelfde gronden zou vaststellen (mits dat overeenkwam met het rijksinpassingsplan)? Duidelijker is de regel van artikel 3.28, lid 5, Wro, dat eenvoudigweg bepaalt: “De gemeenteraad is, respectievelijk provinciale staten zijn, vanaf het moment waarop het ontwerp van het inpassingsplan ter inzage is gelegd, niet langer bevoegd tot vaststelling van een bestemmingsplan respectievelijk inpassingsplan voor de gronden waarop het inpassingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft. De bedoelde bevoegdheid ontstaat weer tien jaar na vaststelling van het inpassingsplan, dan wel eerder, indien het inpassingsplan dat bepaalt.”

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.