Ten onrechte geen MER gemaakt voor wijzigingsbevoegdheden

Naar vaste rechtspraak van de AbRvS, en dat wordt nogmaals bevestigd in ABRvS 16 juli 2014, nr. 201307530/1,  dient bij het voornemen uit te worden gedaan van maximale mogelijkheden die het ruimtelijk plan biedt. Ook de flexibiliteitsinstrumenten moeten derhalve worden meegenomen. Daarbij maakt het  niet uit of het gaat om uitwerkingsplicht of wijzigingsbevoegdheid. Zie onder meer AbRvS 26 september 2012, nr. 201108509/1 en AbRvS 17 oktober 2012, nr. 201105599/1 (Glastuinbouwintensiveringebied Tinte).

De AbRvS overweegt in dit geval dat als gevolg van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uitbreidingen van intensieve veehouderijen mogelijk kunnen worden gemaakt die de drempelwaarden in onderdeel C, categorie 14, en onderdeel D, categorie 14, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. overschrijden. Nu het plan een kader vormt voor een besluit als genoemd in kolom 4 diende derhalve bij de vaststelling van het plan een plan-MER te worden gemaakt. De raad heeft dit ten onrechte nagelaten. Anders dan de raad aanvoert is het maken van een MER niet pas verplicht bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. De raad heeft het plan derhalve vastgesteld in strijd met artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Het betoog slaagt.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.