Spoedeisende bestuursdwang: kosten

In AbRvS 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3753, staat ter discussie of de kosten die na spoedeisende bestuursdwang achteraf in de last op een bepaald bedrag worden geschat, daarna in de afzonderlijke kostenbeschikking hoger dan dat geschatte bedrag mogen worden vastgesteld.

Het bevoegd gezag had in dit geval spoedeisende bestuursdwang toegepast om een SRV-wagen op een trailer, die olie in de bodem lekte, te verwijderen. De kosten daarvan werden op de overtreder verhaald. Daarbij werd de last, na toepassing van spoedeisende bestuursdwang, achteraf op schrift gesteld. In die last zijn de kosten ingeschat op € 1.020,– en heeft het bevoegd gezag aan overtreder meegedeeld dat de kosten later nog worden vastgesteld in een afzonderlijk besluit. Een week later stuurt het bevoegd gezag overtreder een kosten­beschikking, waarin de kosten uitkomen op € 1.217,90. Volgens overtreder mocht het bevoegd gezag de kosten achteraf niet hoger vaststellen.

Artikel 5:25, lid zes, Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de hoogte van de verschuldigde kosten vaststelt. De Afdeling overweegt dat de last, waarin een inschatting van de kosten is gemaakt, geen besluit is tot vaststelling van de kosten in de zin van artikel 5:25, lid 6, Awb, onder meer omdat het bevoegd gezag daarin heeft meegedeeld de kosten later te zullen vaststellen bij afzonderlijk besluit. Ook kunnen aan de in de last ingeschatte kosten niet in rechte te honoreren verwachtingen worden ontleend dat de totale kosten niet hoger zouden uitvallen. De Afdeling oordeelt dan ook dat het bevoegd gezag de kosten achteraf hoger mocht vaststellen en specificeren dan aanvankelijk bij de last was ingeschat.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Monique


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.