Schadevergoedingsregeling waterstaatwerken: normbedrag

Appellant heeft het dagelijks bestuur van het Wetterskip Fryslân verzocht om vergoeding van schade die hij heeft geleden door het oever- en kadeproject Greonterp-Westhem. Bij dit project zijn kaden opgehoogd en verbreed en is op een aantal plaatsen oeverbescherming aangebracht. Appellant heeft daardoor een deel van zijn landbouwgronden niet kunnen bezaaien en bemesten, waardoor hij schade heeft geleden.

Het Wetterskip heeft het verzoek toegekend en is overeenkomstig de Schadevergoedingsregeling waterstaatswerken (hierna: de beleidsregels) voor gewassenschade uitgegaan van een vergoeding van € 2.500,00 per hectare en voor mestschade van een vergoeding van € 600,00 per hectare. Appellant betoogt dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het Wetterskip niet onverkort de beleidsregels en daarmee de normbedragen voor gewassenschade had kunnen toepassen. Daartoe merkt appellant op dat de werkzaamheden aanzienlijk langer hebben geduurd dan aanvankelijk was gepland en dat de vergoeding die is toegekend, zijn schade geenszins dekt.

De Afdeling volgt het betoog van appellant niet. In dat kader is volgens de Afdeling van belang dat de normbedragen in samenspraak met brancheorganisatie LTO-Nederland tot stand zijn gekomen. Deze worden geacht een adequate tegemoetkoming te zijn bij het tijdelijk niet kunnen gebruiken van de eigen gronden en, zoals het Wetterskip heeft toegelicht, ook door andere waterschappen worden gebruikt. De omstandigheid dat de werkelijke schade van appellant volgens verscheidene adviezen hoger zou zijn dan de vergoeding die aan hem is toegekend, is op zichzelf geen grond om van die normbedragen af te wijken.

Dat de werkzaamheden langer hebben geduurd dan was gepland, is evenmin een bijzondere omstandigheid die noopte tot het afwijken van de normbedragen, te meer omdat appellant ook over een langere periode voor schadevergoeding in aanmerking komt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de schade van appellant zich beperkt tot een relatief klein deel van zijn gronden, dat de schade – ook volgens de eigen berekeningen van appellant – van relatief beperkte omvang is en dat een oever- en kadeproject als hier aan de orde niet vaak, dat wil zeggen gemiddeld eens in de twintig jaar, plaatsheeft (AbRvS 2 december 2015: ECLI:NL:RVS:2015:3674).

 

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Ineke


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.