Schade en relativiteit

In haar uitspraak van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:224, gaat de AbRvS onder meer in op de vraag of artikel 7.8b van de Wet milieubeheer strekt tot bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van de aanvrager.

In artikel 7.8b Wm is, kort samengevat, geregeld dat het bevoegd gezag binnen zes weken moet beslissen over de vraag of bij de voorbereiding van een vergunning een milieueffectrapport moet worden opgesteld. In de onderhavige zaak had het bevoegd gezag in eerste instantie niet, maar later alsnog besloten om aan de aanvrager de verplichting op te leggen om een milieueffectrapport op te stellen. Het daartegen ingediende bezwaar werd gegrond verklaard en de verplichting tot het opstellen van het rapport werd weer ingetrokken. Het daartegen door een derde ingestelde beroep werd ongegrond verklaard, waarmee vaststond dat het eerdere besluit tot oplegging van de verplichting tot opstellen van het milieueffectrapport onrechtmatig was.

De aanvrager had schade geleden door deze onrechtmatige besluitvorming, waarvoor hij het bevoegd gezag aansprakelijk stelde. In de ‘schadeprocedure’ stelt het bevoegd gezag zich op het standpunt dat artikel 7.8b Wm niet strekt tot bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van de aanvrager. Ten onrechte, aldus de AbRvS. De AbRvS overweegt dat artikel 7.8b Wm tijdige en correcte besluitvorming ten doel heeft en dat deze norm mede strekt ter bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van de aanvrager. Het in artikel 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste stond dan ook niet aan vergoeding van de schade in de weg.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Ineke


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.