Relativiteitsvereiste in relatie tot archeologische waarden

AbRvS 15 november 2017, ECLI:RVS:2017:3092. Op 24 november 2016 heeft de raad van de gemeente Oegstgeest het bestemmingsplan “Haarlemmerstraatweg” vastgesteld. De raad wil met de vaststelling van het plan een actueel juridisch-planologisch kader bieden voor het bedrijventerrein dat langs de A44, aan de noordkant van Oegstgeest, is gelegen.
[appellante] is het er niet mee eens dat het bestemmingsplan ter bescherming van de archeologische waarden geen vergunningstelsel meer bevat voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden op haar bedrijfsperceel.
De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] aldus dat zij in deze procedure, als eigenaar van het bedrijfsperceel, in feite wenst op te komen voor het algemene belang van het behoud van archeologische waarden.
De enkele omstandigheid dat [appellante] eigenaar is van dit bedrijfsperceel betekent echter nog niet dat zij om die reden toch een beroep kan doen op het algemene belang van archeologische waarden, zoals uit artikel 38a van de Monumentenwet 1988 voortvloeit (vgl. de uitspraak van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2742). Naar het oordeel van de Afdeling strekt artikel 38a van de Monumentenwet 1988 in dit geval kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellante] en kan haar betoog niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat de Afdeling afziet van een inhoudelijke bespreking daarvan. De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.