Relativiteit bij uitwegvergunning

21 januari 2022

Artikel 8:69a Awb staat in de weg aan het gegrond verklaren van een beroep indien een appellant zich beroept op schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt ter bescherming van zijn belangen. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:169) gaat het onder meer om de vraag ter bescherming van welke belangen het vergunningstelsel over het maken van een uitweg dient.
Appellante had een handhavingsverzoek gedaan omdat volgens haar een uitweg was gerealiseerd zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2:12, lid 1 van de APV. Appellante stelde daarvan ernstige hinder en overlast te ervaren. Deze hinder en overlast zou het gevolg zijn van het gebruik van de uitweg met zware voertuigen zoals paardentrailers en bovendien van het houden van paarden op het perceel ter ontsluiting waarvan de uitweg is aangelegd.

Op grond van de betreffende APV is het op grond van artikel 2:12 verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. De vergunning kan slechts worden geweigerd (a) ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg, (b) als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, (c) als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast of (d) als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

De Afdeling stelt vast dat het belang van appellante is gelegen in het voorkomen van overlast als gevolg van het gebruik van de uitweg. Het gebruik van de uitweg, dat volgens appellante verband houdt met het gebruik van de paardenweide, zou het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar aantasten. Gelet op de tekst van artikel 2:12 APV en de plaatsing daarvan in hoofdstuk 2 APV dat gaat over de openbare orde, oordeelt de Afdeling dat artikel 2:12 strekt tot het waarborgen van het veilig en doelmatig gebruik van de weg. Daarmee strekt dit artikel tot bescherming van de weggebruikers en gebruikers en eigenaren van gronden in de directe omgeving van de uitweg. De weigeringsgronden hebben bovendien betrekking op het belang van de verkeersveiligheid, de beschikbaarheid van openbare parkeerplaatsen en het behoud van openbaar groen.

Aantasting van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden is geen weigeringsgrond. De Afdeling stelt vervolgens vast dat de gemaakte uitweg de woning van appellante niet ontsluit en dat appellante geen gebruik hoeft te maken van deze uitweg om haar woning te bereiken. De Afdeling komt onder die omstandigheden tot de conclusie dat artikel 2:12 APV kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van appellante en dat zij zich daarom niet op schending van die norm kan beroepen. De Afdeling laat vervolgens in het midden of in dit geval al dan niet een omgevingsvergunning is vereist en of al dan niet sprake is van een overtreding. Gelet op het relativiteitsvereiste kan het (hoger) beroep in dit geval immers niet slagen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Monique

 


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.