Regels voor binnenplanse omgevingsvergunning

Op 1 augustus jl. heeft de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2018:2593) het vaststellingsbesluit van een bestemmingsplan van de gemeente De Bilt beoordeeld. In de planregels is met betrekking tot parkeren de navolgende regeling opgenomen.

Artikel 12, lid 12.2, van de planregels luidt:

“12.2 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

a. Bij de oprichting van een nieuw bouwwerk, de vergroting van een bestaand bouwwerk en/of de verandering van de functie van een bouwwerk en/of bijbehorend bouwperceel, dient op eigen terrein te worden voorzien in parkeerplaatsen volgens de parkeernorm zoals opgenomen in Parkeerkencijfers-CROW 2012, publicatie 317.

b. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a indien op het bouwperceel redelijkerwijs geen gronden (meer) beschikbaar kunnen worden gehouden ten behoeve van een parkeerplaats en in voldoende mate binnen redelijke afstand van het bouwperceel in parkeerplaatsen is of kan worden voorzien.

Ten aanzien van de onduidelijkheid van artikel 12, lid 12.2, onder b, van de planregels overweegt de Afdeling als volgt. Uit de planregels blijkt niet wat moet worden verstaan onder “in voldoende mate” en “binnen redelijke afstand”. Daarnaast heeft de raad ter zitting toegelicht dat geen algemene normen of uitgangspunten worden gehanteerd en dat de invulling van de normen wordt overgelaten aan het college van burgemeester en wethouders. Naar het oordeel van de Afdeling brengt dit met zich mee dat onvoldoende duidelijk is onder welke randvoorwaarden en binnen welke toetsingskaders van deze afwijkingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Gelet hierop zijn de in artikel 12, lid 12.2 van de planregels neergelegde toetsingscriteria in zoverre onvoldoende objectief begrensd.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.