Procedeer Stichting, busverbinding, vooroverleg en PRV

De uitspraken van de AbRvS van 16 september 2015, onder nr. ECLI:NL:RVS:2015:2929 zijn geselecteerd vanwege een groot aantal lezenswaardige overwegingen. De uitspraak gaat over het bestemmingsplan HOV -tracé van de gemeente Velsen, een hoogwaardige busverbinding tussen Haarlem en IJmuiden.

Ambtshalve beoordeelt de Afdeling of de stichting Transport ev als belanghebbende valt aan te merken. Naast het doel van de stichting Transport is, om te kunnen bepalen of het belang van de stichting Transport rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, tevens van belang of de stichting Transport feitelijke werkzaamheden verricht met het oog op de behartiging van haar doelstelling. De Afdeling heeft geen feitelijke werkzaamheden kunnen vaststellen, waaruit blijkt dat de Stichting haar statutaire belang in het bijzonder behartigt. Het louter in rechte opkomen tegen besluit is daarvoor niet voldoende. Verder kan uit de doelstelling van de stichting Transport niet worden afgeleid dat zij opkomt voor de belangen van omwonenden van het plangebied. De stichting Transport is derhalve aan te merken als een procedeerstichting en haar beroep is niet ontvankelijk.

Ander interessant punt is dat geen vooroverleg met het gemeentebestuur van Haarlem is gevoerd. De vraag is of het plan daardoor in strijd met artikel 3.1.1 eerste lid Bro is vastgesteld. De Afdeling stelt zich op het standpunt dat de overlegverplichting uit het BRO niet dezelfde verplichtingen inhoudt dan uit artikel 3.1.1. Bro voortvloeit. Slechts bij hoge uitzondering, indien het duidelijk gaat om een herziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, zal geen overleg plaats hoeven te vinden. Het gebrek wordt echter gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

Ook lezenswaardig is rechtsoverweging 15.3 waarin de Afdeling bepaalt dat de busbaan, evenals een weg (zie de uitspraak van 18 februari 2015 in zaak nr. 201400570/1/R6, niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid Bro.

Verder legt de Afdeling in rechtsoverweging 17, artikel 19 van de PRV Noord-Holland uit. De Afdeling overweegt dat uit artikel 19 van de PRV volgt dat deze bepaling alleen geldt voor gronden die in de EHS liggen.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.