Planschade: restitutie leges, peildatum en NMR

De tussenuitspraak van de AbRvS van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:143, is om drie redenen lezenswaardig.

Restitutie leges

Allereerst de overwegingen over het te restitueren recht (leges) in het geval een tegemoetkoming in de planschade worde toegewezen. De AbRvS overweegt dat de in artikel 6.4 vierde lid van de Wro bedoelde restitutie van het betaalde recht geen onderdeel is van de tegemoetkoming in planschade. Dit oordeel is relevant voor initiatiefnemers, die een planschadeverhaalsovereenkomst hebben gesloten. De kosten vallen derhalve buiten de tegemoetkoming en daarmee buiten het bedrag, dat verhaald kan worden op de initiatiefnemer.

Peildatum planologie en overgangsrecht

Ten tweede gaat de AbRvS nader in op de bestemming die rustte op de woningen van de verzoeker om een tegemoetkoming. Ten tijde van de inwerkingtreding van het schadeveroorzakende wijzigingsplan hadden de woningen krachtens het ter plaatse toepasselijke bestemmingsplan Buitengebied 1995 een bestemming als agrarische bedrijfswoning. Er bestond een gemeentelijk beleidsvoornemen om de woningen als burgerwoningen te bestemmen, waartoe op de peildatum een ontwerpbestemmingsplan was vastgesteld. Het gegeven dat dit van invloed was op de waarde van de woningen, laat volgens de AbRvS onverlet dat de nieuwe bestemming op de peildatum nog niet in werking was getreden. Dit betekent dat het college bij de taxatie van de waarden van de woningen op de peildatum ten onrechte als uitgangspunt had genomen dat de woningen op dat moment feitelijk als burgerwoningen in gebruik waren.

Krachtens het overgangsrecht was het voorts toegestaan de betreffende woningen als burgerwoningen te gebruiken. Dat leidde volgens de AbRvS niet tot een ander oordeel. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak merkt de AbRvS op dat het overgangsrecht bij een bestemmingsplan betrekking heeft op een bestaande situatie die afwijkt van de in het plan opgenomen bestemmingsregeling. De omstandigheid dat deze bestaande situatie niet past binnen deze bestemmingsregeling, betekent dat beoogd wordt om aan deze situatie een einde te maken binnen de planperiode. Aldus zijn de overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan van een andere orde dan de voorschriften betreffende bestemmingen. Om deze reden dienen de mogelijkheden ingevolge de overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan buiten beschouwing te worden gelaten bij een planologische vergelijking. Dit is volgens de AbRvS niet anders bij de vaststelling van een eventuele waardevermindering van een object.

Normaal maatschappelijk risico: 3%

De AbRvS hanteert inmiddels al een aantal jaren een standaardoverweging voor de invulling van het normaal maatschappelijk risico. Uit deze standaardoverweging is een aantal criteria te destilleren. In de onderhavige zaak was het NMR vastgesteld op 3%. De AbRvS overwoog dat het realiseren van een paardenfokkerij in het buitengebied in beginsel een normale maatschappelijke ontwikkeling is. De ontwikkeling lag echter niet in de lijn der verwachtingen, noch paste het in de ruimtelijke structuur van de omgeving, waardoor niet werd voldaan aan alle criteria uit de standaardoverweging. De AbRvS achtte de korting van 3% niet onevenredig.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Ineke


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.