Planologische functiewijziging is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling

AbRvS 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3210. Op 8 september 2016 heeft de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan “Alexanderknoop” vastgesteld. In het plangebied is gelegen het winkelgebied Alexandrium, dat bestaat uit drie delen: Shopping Center, eigendom van Klépierre, Megastores, eigendom van DRET, en Woonmall.

De beroepen van Klépierre en DRET richten zich tegen het plandeel met de bestemming “Centrum – 3” voor zover dat toestaat dat een groter oppervlak van de Woonmall mag worden gebruikt voor detailhandel in “aanverwante artikelen”. Bij recht is nu 10.000 m2 toegestaan in plaats van 5.000 m2. Tevens geldt een afwijkingsbevoegdheid voor 5.000 m2.

Klépierre voert aan dat het plan wat deze wijziging betreft in strijd is met de Verordening Ruimte 2014 (“Verordening”), die voor nieuwe detailhandel van meer dan 2.000 m2 een distributie-planologisch onderzoek en advisering door de Adviescommissie detailhandel verplicht stelt. Tevens bestaat strijd met artikel 3.1.6, lid 2 Bro, aldus Klépierre.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, inzake artikel 3.1.6 lid 2 Bro, voorziet een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2, Bro. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (vgl. ECLI:NL:RVS:2016:1075 (Amersfoort)). Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was (vgl. ECLI:NL:RVS:2016:1503 (Zundert)).

Naar het oordeel van de Afdeling is de planologische functiewijziging hier niet van zodanige aard en omvang dat om deze reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (vgl. ECLI:NL:RVS:2016:1075 en ECLI:NL:RVS:2017:1724). De ruimtelijke uitstraling van de gewijzigde verhouding tussen de toegestane vormen van detailhandel is in dit geval niet wezenlijk anders dan die in de huidige situatie. Dit betekent dat de wijziging geen nieuwe stedelijke ontwikkeling is waarop artikel 3.1.6, lid 2, Bro van toepassing is.

Verder is in artikel 2.1.4 van de Verordening is geregeld wanneer een bestemmingsplan mag voorzien in nieuwe detailhandel en aan welke eisen de nieuwe detailhandel moet voldoen. In ECLI:NL:RVS:2016:2316 had de Afdeling al geoordeeld dat de artikelen 2.1.1 en 2.1.4 gelet op de systematiek van de Verordening in samenhang moesten worden bezien, in die zin dat de eisen voor nieuwe detailhandel in artikel 2.1.4 alleen van toepassing zijn op een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 2.1.1. en dat aan “nieuwe stedelijke ontwikkeling” dezelfde betekenis toekomt als in het Bro. In casu is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om deze reden is artikel 2.1.4 van de Verordening niet van toepassing.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.