Persoonsgebonden overgangsrecht of uitsterfregeling?

 

Appellant is eigenaar van het perceel waar de bestemming “Agrarisch” aan is toegekend. Voorts is aan het gehele perceel de aanduiding ‘bouwvlak’ toegekend. Op een gedeelte van het perceel staat een gebouw dat in gebruik is als loods. Het betreft een voormalig agrarisch gebouw met een oppervlakte van ongeveer 914 m2. De loods wordt aan derden verhuurd ten behoeve van niet-agrarische opslag. Het gebruik van de loods voor niet-agrarische opslag, alsmede de verhuur aan derden ten behoeve van deze opslag, is niet toegestaan op grond van de daaraan in het plan toegekende bestemming. Ter plaatse van de loods is de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – persoonsgebonden overgangsrecht’ opgenomen. Appellant wenst echter, nu een positieve bestemming een stap te ver is gebleken, een uitsterfregeling. Daar heeft de gemeenteraad van Wijk bij Duurstede naar het oordeel van de Afdeling van 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2656) terecht niet aan meegewerkt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1052, onder 4.4, is het opnemen van een persoonsgebonden overgangsrecht niet in alle omstandigheden ongeoorloofd. Voor een dergelijke planregeling dienen redenen te bestaan die zijn toegespitst op de omstandigheden van het geval. Overwegingen die daarbij een rol kunnen spelen, kunnen verband houden met de aard van het gebruik dat op grond van het overgangsrecht mag worden gemaakt, met de omstandigheid dat een bepaalde vorm van gebruik in het verleden op illegale wijze is ontstaan en met de vraag welk nadeel de beperking van het overgangsrecht voor de gebruiker met zich brengt. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat een uitsterfregeling mogelijk zou maken dat het gebruik van de loods voor niet-agrarische opslag voor onbeperkte tijd zou kunnen worden voortgezet, waardoor geen zicht bestaat op beëindiging van het huidige gebruik. Hiertoe voert de raad aan dat een nieuwe exploitant bij verkoop het gebruik kan voortzetten en juist omdat de verhuur economisch rendabel is, vreest de raad dat dit ook zal gebeuren. Dit wordt door de raad niet wenselijk geacht, mede doordat het gebruik illegaal is begonnen, in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan en in planologisch opzicht (grootschalige) bedrijfsmatige opslag ter plaatse van een agrarisch gebied niet wenselijk is.

De raad heeft zich voorts rekenschap gegeven van de eventuele financiële gevolgen voor appellant. Wat betreft de eventuele invloed van het plan op de waarde van de loods, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. De raad heeft met het opnemen van het persoonsgebonden overgangsrecht aan het belang van appellant bij het kunnen voortzetten van dit gebruik en het kunnen behouden van de huurinkomsten tegemoet willen komen. Voor zover appellant beoogt te betogen dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de huurders, wordt overwogen dat met het persoonsgebonden overgangsrecht tevens wordt voorzien in de mogelijkheid het gebruik van de loods als opslag alsmede de verhuur ten behoeve van deze opslag voort te zetten, zij het dat het gebruik wel is gekoppeld aan het eigenaarschap van appellant. Nu het gebruik voor opslag, alsmede de verhuur aan derden ten behoeve van opslag, illegaal is ontstaan en de raad inzichtelijk heeft gemaakt dat dergelijke niet-agrarische activiteiten niet gewenst zijn in het agrarisch buitengebied, heeft de raad voor het gebruik van het gebouw als opslag en verhuur aan derden ten behoeve van opslag in redelijkheid kunnen voorzien in persoonsgebonden overgangsrecht.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.