Over schade aan appels en peren

De AbRvS heeft op 9 mei 2018 in maar liefst 24! zaken uitspraak gedaan inzake de hoger beroepschriften die waren ingediend met betrekking tot tegemoetkoming van schade die door vogels zijn aangebracht aan appels en/of peren, waaronder die van ECLI:NL:RVS:2018:1519. Deze uitspraak wordt hieronder -kort- samengevat.

De rechtbank heeft het afbouwbeleid van tegemoetkomingen in vogelschade exceptief getoetst. In het hoger beroep oordeelt de Afdeling met betrekking tot deze toetsing dat de rechtbank ten onrechte een oordeel heeft gegeven over de afbouwregeling, voor zover die ziet op de jaren 2016 en 2017. De schade is in 2015 opgetreden en de rechtbank zich daarom had moeten beperken tot een oordeel over de vraag of de tegemoetkoming die voor dat jaar is toegekend redelijk is.

De Afdeling verwijst allereerst naar de totstandkoming van artikel 84 van de Ffw (oud), waaruit volgt dat de bescherming van have en goed tegen schade door dieren primair de verantwoordelijkheid is van de grondgebruiker zelf. Dit brengt onder andere met zich dat alles in het werk gesteld dient te zijn om schade te voorkomen of te beperken. Het moet voorts gaan om schade die niet tot het normale bedrijfsrisico en het normale maatschappelijke risico van de betrokkene behoort (Kamerstukken II 1992/93, 23 147, nr. 3, blz. 83 en Kamerstukken I 1997/98, 23 147, nr. 104b, blz. 21). Naar het oordeel van de Afdeling is onvoldoende duidelijk dat de in het besluit van het Faunafonds aangedragen maatregelen (overnetting) effectief zijn. Zij volgt de rechtbank dan ook in haar oordeel dat het besluit in dat opzicht onvoldoende is gemotiveerd. Met betrekking tot normaal ondernemingsrisico achtte de rechtbank niet relevant dat logischerwijs kan worden verwacht dat vogels aan zacht fruit schade toebrengen. Naar het oordeel van de rechtbank is bepalend of de afbouw van de tegemoetkomingen in vogelschade aan zacht fruit voor de fruittelers voorzienbaar was. Zij kwamen immers sinds jaar en dag in aanmerking voor een tegemoetkoming in deze schade. De rechtbank acht de redenering dat de schade tot het normale ondernemersrisico behoort onjuist. De Afdeling overweegt dat onevenredig zware schade dient te worden vergoed. Daarbij is onder andere de aard, de omvang en – anders dan de rechtbank heeft overwogen – de voorzienbaarheid van de schade van belang. Er moet rekening gehouden worden met het risico van schade aan (in dit geval) peren door mezen, omdat bekend is dat het betreffende gewas aantrekkelijk is voor de betreffende diersoort. Het college heeft ter zitting gesteld dat BIJ12, die de verzoeken om tegemoetkoming op basis van – voorheen – de Ffw in opdracht van het Faunafonds behandelde en thans de verzoeken op basis van de Wet natuurbescherming in opdracht van de colleges behandelt, jaarlijks vijfduizend verzoeken ontvangt. Met een dergelijke uitvoeringslast is het begrijpelijk en ook redelijk dat, in afwijking van genoemd uitgangspunt, wordt overgegaan tot standaardisering van het normaal maatschappelijk risico als de regeling in tegemoetkoming in de schade voorziet.

Naar het oordeel van de Afdeling leidt het vergoeden van 60% van de schade die door mezen en meesachtigen is toegebracht aan peren niet tot een onevenredig zware last voor fruittelers. Dit oordeel is gebaseerd op de hoogte van de gemiddelde schade die fruittelers hebben geleden door toedoen van mezen en meesachtigen aan appels en peren en de gemiddelde omzet die fruittelers genereren. Met ingang van 1 januari 2017 zijn Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag ten aanzien van schadeverzoeken. In elke provincie zijn beleidsregels vastgesteld over de Wet natuurbescherming en de vergoeding van faunaschade. Bij de boordeling van de verbindendheid van die beleidsregels dienen de onderhavige uitspraken in ogenschouw te worden genomen.

Voor meer informatie over deze zaken kunt u contact opnemen met Susan


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.