Onverbindendheid verordening? en uitwerkingsplan

Het college van B&W van de gemeente Eindhoven stelt vast het uitwerkingsplan “1e uitwerking Tongelre binnen de Ring 2007 (Picuskade)”. Het uitwerkingsplan maakt het mogelijk het Picus-terrein opnieuw te ontwikkelen. Het voorziet in de bouw van zo’n 240 woningen en uitbreiding van het DAF-museum. Een keur aan beroepsgronden. Wij lichten er twee uit.

In strijd met de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant voorziet het uitwerkingsplan in woonbebouwing tot een maximale hoogte van 18 m en zal hierdoor de ecologische verbindingszone op die locatie smaller zijn dan 50 m. In reactie op de betreffende beroepsgrond stellen B&W van Eindhoven dat het in de Verordening Ruimte 2014 opnemen van de ecologische verbindingszone ter plaatse van het uitwerkingsplan onverbindend is, omdat de ecologische verbindingszone op deze locatie zonder enig onderzoek naar de feitelijke uitvoerbaarheid is vastgesteld en de ecologische verbindingszone met een breedte van 50 m hier feitelijk onmogelijk is. De Afdeling oordeelt dat de Verordening een algemeen verbindend voorschrift is. Daaraan kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de vaststelling van het uitwerkingsplan ter plaatse van de voorziene woonbebouwing geen volledige zone van 50 m vrij van woonbebouwing kan worden gehouden. Het verweer van het college van B&W wordt dus niet gevolgd.

Een andere beroepsgrond komt erop neer dat het uitwerkingsplan ten onrechte niet alle in het moederplan uit te werken bestemmingen omvat. Zij voeren aan dat alle gronden waaraan de uit te werken bestemmingen zijn toegekend in meer of mindere mate verontreinigd zijn. Deze verontreinigingen zijn onlosmakelijk verbonden. De gronden hadden integraal gesaneerd moeten worden en daarom ook tezamen in één bestemmingsplan moeten worden betrokken. Volgens de Afdeling laat artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro (dat de uitwerkingsbevoegdheid regelt) aan het college de vrijheid de uitwerking gefaseerd ter hand te nemen. “Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat het college voor fasering mag kiezen voor zover tussen de gronden waaraan een uit te werken bestemming is toegekend een grote mate van samenhang bestaat. Een zodanige samenhang kan bestaan indien de verwezenlijking van het uitwerkingsplan ingrijpende gevolgen heeft voor de niet in het uitwerkingsplan opgenomen gronden.” Daarvan is hier echter geen sprake. De enkele omstandigheid dat andere gronden, waaraan het bestemmingsplan ook een uit te werken woonbestemming toekent, verontreinigd zijn, is onvoldoende om aan te nemen dat alle gronden met een uit te werken woonbestemming onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dus in één uitwerkingsplan of nieuw bestemmingsplan hadden moeten worden vervat, aldus de Afdeling op 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:127.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.