Onderzoek flora- en fauna en bestemmingsplannen

Vaste rechtspraak van de AbRvS is dat indien appellanten betogen dat de aanwezigheid van soorten zich tegen de vaststelling van een bestemmingsplan verzet, die vraag in beginsel pas aan de orde komt in de procedure op grond van de Ffw. Deze standaardoverweging heeft echter ook een tweede zin. “Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat” (zie onder meer AbRvS 25 juni 2014, 201307347/1). In de uitspraak van 9 juli 2014 (nr. 201311441/1/R2) geeft de Afdeling in onderstaande overweging toepassing aan het criterium dat de gemeenteraad in redelijkheid had dienen in te zien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Vaststaat dat ten behoeve van de uitvoering van het plan het bestaande dorpshuis zal worden gesloopt. Uit de quick scan blijkt dat niet kan worden uitgesloten dat zich in dit dorpshuis vaste verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden. Voorts is gebleken dat het nader onderzoek naar de aanwezigheid hiervan nog niet heeft plaatsgevonden. Gelet hierop was ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende inzichtelijk of er vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, en zo ja of een ontheffing op grond van de Ffw benodigd is en of deze kan worden verleend. De raad heeft zich dan ook niet in redelijkheid op voorhand op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.