Omgevingsvergunning milieu-Flora en faunawet

De uitspraak van AbRvS 12 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2016:2715 ziet op de vraag welke rol de bescherming van de flora en fauna heeft bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting. In dit geval het veranderen en uitbreiden van een varkenshouderij in de gemeente Bergen. Op 5 meter afstand van de te bouwen varkensstal nestelen vier achtereenvolgende jaren steenuilen en verder broedt al 3 jaar een torenvalk in een nestkast die op 230 meter afstand van de te bouwen stal staat.

Appellanten voeren aan dat het aspect flora en fauna bij de beoordeling van de milieugevolgen moet worden betrokken. Zij verwijzen daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1664. De Afdeling overweegt dat het aspect soortenbescherming primair aan de orde dient te komen in het kader van de beoordeling of krachtens de Ffw een ontheffing is vereist en kan worden verleend. De uitspraak laat de mogelijkheid open dat de Wm dwingt tot een aanvullende toets. Die mogelijkheid doet zich uitsluitend voor indien negatieve gevolgen voor de soortenbescherming niet onder het toepassingsbereik van de Ffw vallen. Vallen negatieve gevolgen wel onder het toepassingsbereik van de Ffw, dan vindt geen aanvullende beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer plaats, zie ook AbRvS 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1530.

Vervolgens wordt beoordeeld of een verklaring van geen bedenkingen is vereist op grond van artikel 75 d lid 1 Ffw. Het college is van mening dat de aanvraag geen betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, van de Ffw. Verder is afgezien van onderzoek naar de aanwezigheid en het gebruik van deze kasten door uilen en valken omdat geen onlosmakelijke samenhang tussen de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is verleend en de activiteiten waarvoor mogelijk ontheffing krachtens de Ffw is vereist. Die redenering is in strijd met de wet. Niet in geschil is dat in de buurt van de stal nestkasten aanwezig zijn die dienen als vaste rust- of verblijfplaatsen van steenuilen en torenvalken. Daarmee kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de activiteiten deze rustplaatsen verstoren en daarmee het verbod uit artikel 11 van de Ffw overtreden. Ook nu in de aanvraag niet op de gevolgen voor de flora en fauna is ingegaan, had het op de weg van het college gelegen deze gevolgen te onderzoeken. De Afdeling past de bestuurlijke lus toe. Opmerkelijk is dat de Afdeling in rechtsoverweging 9 gedetailleerd uitschrijft wat het college dient te onderzoeken en welke besluiten het college vervolgens dient te nemen.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.