Norm voor cumulatieve geurhinder mag in bestemmingsplan, fijnstofnorm niet.

14 februari 2020

AbRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452. De raad van Mill en Sint Hubert stelt een bestemmingsplan voor het buitengebied vast. De Producenten Organisatie Varkenshouders procedeert hiertegen.

In het plan is een binnenplanse bevoegdheid voor het afwijken van de bouwregels voor het bouwen of vergroten van een dierenverblijf voor veehouderijen opgenomen. Als bevoegdheidsvoorwaarden zijn o.a. opgenomen dat aangetoond wordt dat

  • de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) niet hoger is dan bepaalde (in het bestemmingsplan genoemde) percentages voor de bebouwde kom en het buitengebied en
  • de jaargemiddelde achtergrondconcentratie fijnstof PM10 inclusief het initiatief maximaal 31,2 g/m3 bedraagt.

De raad had dit allemaal niet zelf verzonnen, maar gaf hiermee uitvoering aan wat de Verordening ruimte Noord-Brabant op dit punt voor bestemmingsplannen voorschreef.

Die Verordening hadden provinciale staten (PS) op hun beurt gebaseerd op artikel 7l Besluit uitvoering Chw. Op grond daarvan kunnen PS in de provinciale verordening ruimte regels stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, een goede omgevingskwaliteit, mede met inachtneming van het belang om private inspanningen gericht op een duurzame en zorgvuldige veehouderij te bevorderen. Hiertoe kunnen behoren regels waarbij in afwijking van de artikelen 2 en 6 Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) voorschriften worden gesteld over de cumulatieve geurhinder veroorzaakt door veehouderijen.

Een paar punten uit de (lange!) uitspraak van de Afdeling, op hoofdlijnen en in eigen woorden:

  • Artikel 7l Besluit uitvoering Chw is niet in strijd met artikel 2.4 Chw, waar het op gebaseerd is. Het woord experiment uit die laatste bepaling betekent eenvoudigweg dat van bepaalde wettelijke bepalingen kan worden afgeweken (r.o. 9.1).
  • Volgens artikel 2.4 Chw moet een experiment bijdragen aan innovatieve ontwikkelingen of aan het versterken van de economische structuur. Beperking van de groeimogelijkheden van veehouderijen met als doel de overstap naar een duurzame en zorgvuldige veehouderij is in overeenstemming met artikel 2.4 Chw (r.o. 10.1).
  • De Wvg gaat alleen over de geurbelasting die een individuele veehouderij veroorzaakt (de voorgrondbelasting) en dus niet over cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting). Daarom mag die achtergrondbelasting in het ruimtelijke spoor worden genormeerd en beoordeeld, dus ook bij provinciale ruimtelijke verordening (r.o. 12.2). Provinciale staten hadden hiervoor dus artikel 7l Besluit uitvoering Chw helemaal niet nodig (r.o. 8.2).
  • Fijnstof wordt geregeld in titel 5.2 Wet milieubeheer (Wm). De mogelijkheid om af te wijken van de Wm wordt in artikel 7l Besluit uitvoering Chw niet genoemd. Titel 5.2 Wm regelt de jaargemiddelde achtergrondconcentratie uitputtend. De Verordening ruimte Noord-Brabant doorkruist op dit punt de Wm en is onverbindend. Gelet daarop vernietigt de Afdeling de desbetreffende voorwaarde van de genoemde binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van de gemeenteraad (die op dit punt een vertaling is van de Verordening ruimte Noord-Brabant).

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.