Nieuwe gronden na tussenuitspraak; wvo en bvo begrippen

De uitspraak van de AbRvS van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:398, gaat over het bestemmingsplan dat de gemeenteraad van Almelo heeft vastgesteld ten behoeve van de nieuwvestiging van Hornbach. Andere bouwmarkten en omwonenden komen tegen dit plan op. In een tussenuitspraak van 24 december 2014 heeft de Afdeling geoordeeld dat de gebruiksmogelijkheden te ruim waren (ruimer dan beoogd) en dat de onderzoeken ook niet op de bestemde omvang waren gebaseerd. De raad heeft de gebreken getracht te herstellen met het op 7 april 2015 opnieuw vastgestelde bestemmingsplan ‘Rhijnbeek’. Met dit plan heeft de raad beoogd om het toegelaten gebruik te beperken tot een bouwmarkt, tuincentrum en drive-in. Ook is beoogd de omvang van de bouwmarkt en het tuincentrum te beperken.

Het plan staat een wvo van maximaal 18.200 m2 binnen een gebouw toe (70% van het bouwvlak met een omvang van 26.000 m2). De onderzoeken zijn gebaseerd op een bouwmarkt met een bvo van 14,000 m2 en een tuincentrum met een bvo van 4.200 m2. Verder laat het plan toe dat een deel van het tuincentrum met een wvo van 3.800 m2 buiten een gebouw wordt gerealiseerd.

Het buitendeel is niet betrokken bij de verrichte onderzoeken naar onder meer de verkeersaantrekkende werking en parkeerbehoefte. De vraag is of dat terecht is. In dat kader verschillen partijen van mening over het standpunt van de raad dat, uitgaande van de CROW het buitendeel van het tuincentrum geen bvo betreft en daarom niet betrokken hoefde te worden bij de onderzoeken. De Afdeling acht in dit kader van belang hoe de begrippen wvo en bvo in de CROW worden gedefinieerd. De betekenis die het bestemmingsplan zelf aan deze begrippen geeft acht de Afdeling dus bij het hanteren van de CROW-systematiek niet doorslaggevend. Het buitendeel valt volgens de Afdeling op grond van de CROW onder wvo (want wvo is: het gedeelte van het bvo van een winkel waar de goederen ter verkoop zijn uitgestald en waar de consument mag komen of die de consument direct kan zien). Uit de CROW-publicatie volgt verder dat bij een tuincentrum de wvo deel uitmaakt van de bvo. Bij winkels is het uitgangspunt dat de bvo gemiddeld 1,25 maal de wvo bedraagt.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het buitendeel ten onrechte buiten beschouwing is gelaten bij de onderzoeken. De Afdeling overweegt daarbij verder nog er niet van overtuigd te zijn dat het buitendeel niet leidt tot meer akoestische belasting voor de omgeving. Het besluit van de raad wordt vernietigd wegens strijd met art. 3:2 Awb.

Ik wijs er verder nog op dat de uitspraak ook een interessante overweging bevat naar aanleiding van het pas na de tussenuitspraak aanvoeren dat de definities die het plan van enkele begrippen (waaronder detailhandel) kent, maakt dat er meer mogelijk is dan waar de raad bij de onderzoeken van is uitgegaan. De Afdeling stelt vast dat de betreffende definities, zijnde besluitonderdelen, niet zijn gewijzigd met het opnieuw vastgestelde bestemmingsplan. Het kan volgens de Afdeling gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Monique


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.