Legalisatie permanente bewoning, MER? en Ladder Duve

In AbRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1503, staat centraal het bestemmingsplan “Parc Patersven”, dat voorziet in een planologische regeling voor het recreatiepark “Patersven” en strekt tot legalisering van illegale permanente bewoning van recreatiewoningen. Het park beslaat ruim 28 ha, waarvan ongeveer 5 ha vennen.

Had een MER gemaakt moeten worden? De Afdeling wijst erop dat in de bijlage bij het Besluit m.e.r. onder D.10 als activiteit de wijziging van een vakantiedorp buiten stedelijke zones met bijbehorende zones wordt genoemd in o.a. het geval dat de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 25 ha of meer. Onder D.11.2 wordt als activiteit genoemd de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen in het geval de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. In de bijlage wordt onder onderdeel A onder wijziging mede verstaan: een reconstructie of verandering anderszins van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande inrichtingen.

De Afdeling vraagt zich af of het toegestane gebruik van bestaande recreatiewoningen voor permanente bewoning als een wijziging als bedoeld in het Besluit m.e.r. (lees: een wijziging van een vakantiedorp, toevoeging van ons, red.) dient te worden aangemerkt. Daarvoor is van belang dat permanente bewoning van de recreatiewoningen op grond van het vorige plan niet was toegestaan en niet bij de bestaande situatie mag worden betrokken. In planologisch opzicht is het gebruik van de woningen voor permanente bewoning immers nieuw. Van een wijziging als bedoeld in het Besluit m.e.r. kan ook sprake zijn indien geen nieuwe bebouwing en andere voorzieningen mogelijk worden gemaakt, maar het toegestane gebruik zodanig wijzigt dat het nieuwe plan voorziet in een gewijzigde activiteit die een aanzienlijk milieueffect kan hebben. Dat doet zich in dit geval echter niet voor. De planologische wijzigingen zijn naar het oordeel van de Afdeling zodanig ondergeschikt dat in dit geval niet kan worden gesproken van een wijziging van een vakantiedorp als bedoeld in het Besluit m.e.r. Niet aannemelijk is dat permanente bewoning van 420 van de woningen en de geringe aanpassingen aan wegen tot wezenlijk andere en aanzienlijke milieueffecten zullen leiden ten opzichte van het bestaande recreatiepark. De Afdeling betrekt hierbij dat het plan slechts een beperkte toename van het verkeer tot gevolg zal hebben.

Voor zover het plan voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject stelt de Afdeling vast dat de daarvoor genoemde drempelwaarden in het Besluit m.e.r. niet worden overschreden.

Blijkens artikel 2, lid 5, Besluit m.e.r. geldt de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 Wm ook in gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de materiële toestand van het park niet zodanig zal wijzigen dat sprake is van een bestaande of gewijzigde activiteit die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Ook wordt er gediscussieerd over de ladder voor duurzame verstedelijking. De raad wijst ter onderbouwing van de actuele regionale behoefte op de vrijwel volledige bezetting van het park en op een onderzoek waaruit blijkt dat er in West-Brabant 19.000 economisch gebonden arbeidsmigranten zijn, waarvan een deel slecht gehuisvest is, en dat er een kwantitatieve en kwalitatieve opgave rust op de gemeenten in de regio om te voorzien in adequate huisvesting. Dat aan deze opgave deels wordt tegemoet gekomen door het legaliseren van illegale permanente bewoning van recreatiewoningen is, anders dan bepaalde appellanten betogen, volgens de Afdeling niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Voorts is volgens de Afdeling voldaan aan artikel 3.1.6, lid 2, onder b, Bro: in de actuele regionale behoefte wordt voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio. Het park zelf is namelijk als bestaand stedelijk gebied te zien. Bij de uitleg van het begrip “bestaand stedelijk gebied” wordt volgens de Afdeling uitgegaan van hetgeen planologisch is toegestaan op grond van het voorheen geldende plan. Het voorheen geldende plan maakte een omvangrijk recreatiepark met maximaal 500 recreatiewoningen mogelijk en voorzag daarmee in een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van dienstverlening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro. De raad heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat het plangebied als bestaand stedelijk gebied kan worden aangemerkt.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.