Lage Weide Utrecht: de ladder en méér

Op 29 juni 2016 heeft de Afdeling uitspraak gedaan over het bestemmingsplan Lage Weide van de gemeente Utrecht (ECLI:NL:RVS:2016:1814). Dit bestemmingsplan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het bedrijventerrein Lage Weide in Utrecht. Het is een uitvoerige uitspraak – 34 pagina’s – met als uitkomst dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt vernietigd. De uitspraak bevat een groot aantal lezenswaardige overwegingen, waarvan wij een selectie hieronder weergeven.

Ladder voor duurzame verstedelijking

De uitspraak van de AbRvS 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1814 gaat over het bestemmingsplan Lage Weide van de gemeente Utrecht. Een plan waaraan nogal wat rammelt, onder meer ten aanzien van het onderzoek naar de geluidseffecten en de externe veiligheid.

De uitspraak is echter vooral geselecteerd naar aanleiding van de overwegingen over de ladder voor duurzame verstedelijking, opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. Een vraag die in dit bestemmingsplan speelt is de vraag of het bedrijventerrein voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat in het nieuwe bestemmingsplan de bouw- en gebruiksmogelijkheden worden beperkt. Tot dusver niets nieuws, in eerdere uitspraken heeft de Afdeling al uitgelegd dat conserverende bestemmingen niet als nieuwe stedelijke ontwikkelingen worden aangemerkt, zie bijvoorbeeld AbRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1367, AbRvS 19 november 2015, ECLI:NL:RVS:2014:4151 en AbRvS 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:537.

In dit geval ligt de casus echter net iets anders. Het voorgaande plan, het “Uitbreidingsplan in hoofdzaak Lageweide” heeft op grond van artikel 9.3.2 en 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro zijn rechtsgevolg per 1 juli 2013 verloren. Het nieuwe plan voorziet daarmee, strikt juridisch, niet in een conserverende bestemming. Desondanks is volgens de Afdeling geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De reden daarvoor is dat het plan voorziet in een planologische regeling voor het bedrijventerrein dat geheel is uitgegeven. Het plan sluit wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht zijn opgenomen aan bij de feitelijk bestaande situatie die op grond van het vorige plan is gerealiseerd dan wel nadien door middel van verleende vergunningen. De Afdeling is van oordeel dat het plan onder deze omstandigheden niet bij recht voorziet in nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden waardoor sprake is van nieuw ruimtebeslag of verruiming van de gebruiksmogelijkheden ten opzichte van de bestaande situatie. Een aanwijzing voor deze lijn zagen we al in AbRvS 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:561 waarin de Afdeling het ruimtebeslag heeft bepaald aan de hand van de oude planregeling en diverse vrijstellingsbesluiten.

Ook de afwijkingsbevoegdheden die een zwaardere categorie bedrijvigheid of de vestiging van een BEVI-inrichting mogelijk maken, voorzien volgens de Afdeling niet in een nieuw beslag op ruimte. Die functiewijzigingen zijn volgens de Afdeling niet zodanig dat daardoor sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Afdeling bevestigt hiermee de lijn die zij heeft uitgezet in de uitspraken van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075 en ECLI:NL:RVS:2016:1064, AbRvS 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:915 en AbRvS 5 augustus 2015, nr. 201500276/1/R2.

Voor wat betreft de ladder voor duurzame verstedelijking is los van de uitspraak Lage Weide nog relevant te melden dat de Minister van I&M op 23 juni 2016 een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heeft gezonden waarin wordt voorgesteld de ladder voor duurzame verstedelijking te wijzigen (Bijlage bij Kamerstuk 33962 nr. O). Bij de brief is een concept voorstel voor de wijziging van de ladder gevoegd. Kort samengevat houden de voorgestelde wijzigingen het navolgende in:

  • Een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke treden van de ladder en het schrappen van zinsneden die bij nader inzien beter thuis horen in een toelichting of de Handreiking.
  • De uitgebreide ladder-motivering wordt beperkt tot de nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied.
  • Het begrip “actuele regionale behoefte” wordt vervangen door het eenvoudiger begrip “behoefte”.
  • Tot slot wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, waarmee het mogelijk wordt een dubbele ladder-toets bij flexibele planvorming te voorkomen.

Relativiteit Geluid van spoorweg.

  • De Afdeling stelt vast dat de aanduiding “spoorweg” is toegekend aan een aantal gronden grenzend aan het Amsterdam-Rijnkanaal met de bestemming “Bedrijventerrein”. Deze gronden grenzen aan de bestemming “Verkeer-Railverkeer” die onder meer zijn bestemd voor railverkeer en goederensporen, zodat een aansluiting kan worden aangelegd en het goederenvervoer vanwege de bedrijven haar route via het hoofdspoor kan vervolgen. Gelet hierop en op het feit dat binnen de aanduiding “spoorweg” geen nadere beperking is opgenomen wat betreft het aantal, de situering en het gebruik van spoorwegen, staat naar het oordeel van de Afdeling niet vast dat deze spoorwegen onderdeel zijn van één of meer van de ter plaatse aanwezige inrichtingen. Hiermee staat derhalve evenmin vast dat het geluid vanwege deze spoorwegen wordt genormeerd door de maximale geluidgrenswaarden vanwege de geluidzone rond het industrieterrein. Daarmee slaagt het betoog dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat het opnemen van de aanduiding “spoorweg” uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar. In de planregels is een verbod opgenomen op inrichtingen en installaties als bedoeld in bijlagen C en D van het Besluit m.e.r., waarbij de drempelwaarde genoemd in kolom 2 van de betreffende onderdelen wordt overschreden. Een van de appellanten vindt dit verbod niet aanvaardbaar. Dit had volgens de Afdeling kunnen worden voorkomen door in de planregel duidelijk te maken van welke drempelwaarden moet worden uitgegaan, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de drempelwaarden uit de bijlagen bij het Besluit m.e.r. zoals die op een bepaalde datum golden. Daarin voorziet het plan echter, ten onrechte niet. Gelet op de omstandigheid dat de voorheen geldende planologische regimes voor grote delen van het plangebied sterk verouderd zijn en voor sommige delen van het plangebied in het geheel niet meer kan worden teruggevallen op een voorheen geldend plan, ziet de Afdeling aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, waarin is bepaald dat tot de datum van een nieuw plan het onderhavige plan “Lage Weide” blijft gelden, met uitzondering van een aantal genoemde planonderdelen. Tevens wordt de gemeenteraad opgedragen om binnen 52 weken na de uitspraak een nieuw plan vast te stellen voor het bedrijventerrein.

Dictum

  • De Afdeling overweegt dat het opnemen van deze planregel met als doel de milieubelasting vanwege de activiteiten op het bedrijventerrein in de hand te houden, niet onredelijk is. Wel is de Afdeling van oordeel dat het voorschrift, zoals het nu is geformuleerd, onvoldoende rechtszeker is. Hiertoe acht de Afdeling van belang dat het mogelijk is dat gedurende de planperiode een wijziging wordt aangebracht in de bijlagen bij het Besluit m.e.r.. Door de directe koppeling in de planregels met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. kan dat met zich brengen dat de planologische mogelijkheden van gronden in het plangebied gedurende de planperiode worden gewijzigd of beperkt.

Verwijzing naar Besluit m.e.r.

  • Ter plaatse is sprake van een geluidgezoneerd industrieterrein als bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat uitsluitend het geluid dat wordt veroorzaakt door de inrichtingen op het industrieterrein onderdeel van het geluidgezoneerde industrieterrein uitmaakt, waarvoor de maximale geluidgrenswaarden uit de Wet geluidhinder gelden. De vraag is of het geluid afkomstig van spoorwegen binnen de aanduiding “spoorweg” wordt genormeerd door de maximale geluidgrenswaarden vanwege de geluidzone rond het industrieterrein. Daarvoor is doorslaggevend of de spoorwegen als onderdeel van één of meer inrichtingen op het industrieterrein kunnen worden aangemerkt.
  • Lezenswaardig is verder rechtsoverweging 4.34 die gaat over de relativiteit bij de Nbw 1988 en artikel 7.2a, eerste lid van de Wet Milieubeheer. De Afdeling is van mening dat de normen uit de Nbw 1998 die op de bescherming van Natura 2000-gebieden zijn gericht, kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen die de Stichting. In de statuten van de Stichting staat dat deze belangen zien op de verbetering van het woon- en leefklimaat van de wijk Zuilen en omstreken. Daaronder valt niet de bescherming van de Natura 2000-gebieden “Oostelijke Vechtplassen”, “Nieuwkoopse Plassen” en “Botshol”. De Afdeling komt in deze zaak vrij gemakkelijk tot de conclusie dat de relativiteit niet in de weg staat aan het beoordelen van het beroep van de Stichting op het ontbreken van een plan- MER, als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De Afdeling stelt dat nu dit beroep kennelijk niet strekt ter bescherming van de belangen van de Stichting, zij zich evenmin op die normen kan beroepen ten behoeve van het betoog dat een plan-MER diende te worden gemaakt. Een vergelijkbare uitspraak (met een andere conclusie, gezien de statuten van de stichting die in die zaak procedeerde ) wees de Afdeling op 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3554.
  • Gedurende de zomerperiode, juli tot september 2016 zal een internetconsultatie plaatsvinden, zodat een ieder de mogelijkheid heeft te reageren op het voorstel tot wijziging van de ladder. De Minister wil de wijzigingen zo snel mogelijk, nog in 2017, in werking laten treden.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Janike en Ineke


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.