Ladder voor duurzame verstedelijking

22 mei 2020

In de uitspraak van 20 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1272) beantwoordt de Afdeling de vraag of een woonwijk van 110 woningen in Amersfoort een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Daarbij is van belang om op te merken dat deze woonwijk in de plaats komt van een nooit gerealiseerd bedrijventerrein.

Het uitgangspunt in de rechtspraak is dat een planologische functiewijziging zonder extra ruimtebeslag niet een nieuwe stedelijke ontwikkeling vormt en daarom niet hoeft te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Maar van dit uitgangspunt wordt afgeweken als de functiewijziging ‘een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Het verschil in ruimtelijke uitstraling van de oude en nieuwe functie is daarbij van betekenis (zie voor deze algemene uitgangspunten de overzichtsuitspraak over de ladder van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Hoewel het ruimtebeslag van de nieuwe woonwijk kleiner is dan dat van het eerder voorziene bedrijventerrein, oordeelt de Afdeling toch dat in dit geval een woonwijk met 110 woningen in het licht van de ladder ‘significant’ is en daarom als een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt. Appellant baat dit overigens niet, want de behoefte aan deze woningen is onomstreden.

Vermeldenswaardig is verder dat het bestemmingsplan ook een onbemand tankstation mogelijk maakt. Gezien de geringe omvang is weliswaar geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, maar, zo voegt de Afdeling hier aan toe, dit laat onverlet dat artikel 3.1 van de Wro ook dan eist dat de gemeenteraad inzichtelijk moet maken dat aan dit tankstation behoefte is. Dat had de raad verzuimd.

Een ander betoog van de appellant, namelijk dat het tankstation als vorm van detailhandel in strijd zou komen met de Provinciale Ruimtelijke Verordening, honoreert de Afdeling niet. Naar de letter had appellant gelijk, want artikel 4.4 van de PRV verbiedt detailhandel buiten bestaand winkelgebied. Maar de Afdeling concludeert dat het gevolg van een letterlijke uitleg zou zijn dat onbemande tankstations alleen in bestaand winkelgebied mogelijk zouden zijn in plaats van op locaties die bij uitstek hiervoor geschikt zijn zoals bij belangrijke ontsluitingswegen. De Afdeling concludeert daarom dat een redelijke uitleg van artikel 4.4 meebrengt dat tankstations niet onder het daarin vastgelegde verbod vallen.

Tot slot, de gemeenteraad had ook verzuimd onderzoek te doen naar de toekomstige verkeerssituatie van de woonwijk. De raad was ervan uitgegaan dat de verkeerseffecten vergelijkbaar zouden zijn met die van het eerder voorziene bedrijventerrein, maar dat accepteert de Afdeling niet. Nu dat eerdere plan niet is gerealiseerd, moet de bestaande feitelijke situatie – onbebouwd plangebied – als uitgangspunt worden genomen voor de beoordeling van de verkeerseffecten van de nieuwe woonwijk.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Jan


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.