Grondslag nadeelcompensatie: evenredigheidsbeginsel of

Appellant is eigenaar van een perceel met bedrijfsbebouwing in de gemeente Utrecht. Een aantal aangrenzende percelen is in eigendom bij de gemeente Utrecht. Op 18 december 2013 heeft het college van Utrecht vastgesteld dat er op deze aangrenzende percelen sprake is van ernstige bodemverontreiniging, waarbij geen spoedige sanering noodzakelijk is. Appellant dient een verzoek om nadeelcompensatie in. Volgens appellant leidt de weigering van de gemeente om haar eigen percelen te saneren tot een waardedaling van zijn perceel.

Het college heeft het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen. Daarbij heeft het college overwogen dat er alleen nadeelcompensatie vergoed kan worden op grond van het evenredigheidsbeginsel (art. 3:4 lid 2 Awb) als er een belangenafweging aan het schadeveroorzakende besluit ten grondslag ligt. Bij een besluit tot vaststelling van de aard en ernst van een bodemverontreiniging is hier geen sprake van, dus is er ook geen grond voor vergoeding van nadeelcompensatie. In dat kader heeft het college verwezen naar de uitspraak: AbRvS 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6163.

De Afdeling overweegt dat in de uitspraak van 8 september 2010 een zogenaamd onzuiver (onzelfstandig) schadebesluit aan de orde was. In het onderhavige geval gaat het om een zuiver (zelfstandig) schadebesluit. De grondslag van dit schadeverzoek is niet het evenredigheidsbeginsel, maar het égalitébeginsel (gelijkheid voor openbare lasten). Dit beginsel is ook van toepassing wanneer de schade wordt veroorzaakt door een besluit, waarbij het belang van appellant geen rol speelt. Het college heeft dit niet onderkend. Het besluit wordt vernietigd en het college dient een nieuw besluit te nemen op het schadeverzoek. AbRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1207

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Ineke


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.