Gevolgen wijziging bijlage II Bor

De uitspraak van 19 november 2014, nr. 201310870/1/A4, gaat over een verzoek om handhaving met betrekking tot een zonder omgevingsvergunning opgerichte serre. In deze vraag komt ook de vraag aan de orde wat de gevolgen zijn van de recente wijziging van bijlage II Bor voor een bouwwerk dat zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning is gebouwd, terwijl het bouwwerk na wijziging van het Bor vergunningvrij is geworden.

Degene die het verzoek om handhaving heeft ingediend, meent dat de serre ook in strijd is met art. 2.5.17 Bouwverordening, omdat de serre te dicht op zijn schutting staat. Het college erkent dat sprake is van strijdigheid met deze bepaling uit de bouwverordening, maar meent dat handhavend optreden onevenredig is. De rechtbank oordeelt dat het college niet op die grond van handhaving mocht afzien, en vernietigt de beslissing op bezwaar.

Art. 2.5.17 Bouwverordening bepaalt dat de zijdelingse begrenzing van een bouwwerk ten opzichte van de zijdelingse erfgrens zodanig moet zijn dat daartussen geen tussenruimten ontstaan die niet toegankelijk zijn. Nu art. 2.5.17 geen verbodsbepaling bevat, heeft het college zich volgens de Afdeling op grond van de Bouwverordening terecht niet bevoegd geacht tot handhaving. Het college gaat er evenwel volgens de Afdeling ten onrechte aan voorbij dat de serre zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning is gebouwd. Nu dit geen overtreding van geringe aard en ernst is, heeft het college niet voldoende gemotiveerd waarom zij in redelijkheid van handhaving heeft kunnen afzien.

De Afdeling beoordeelt vervolgens de inmiddels genomen nieuwe beslissing op bezwaar. In die nieuwe beslissing op bezwaar ziet het college af van handhaving, omdat zij in de toekomstige wijziging van bijlage II van het Bor een concreet zicht op legalisering ziet. Door die wijziging zal voor de serre geen omgevingsvergunning meer zijn vereist. Hierover oordeelt de Afdeling dat ten tijde van het bestreden besluit uitsluitend het ontwerpbesluit tot wijziging van het Bor was vastgesteld en nog geen duidelijkheid over de datum van inwerkingtreding bestond. Het college heeft daarmee ten onrechte concreet zicht op legalisering aangenomen.

Daarnaast heeft het college van handhaving afgezien vanwege bij de buurman, per brief, gewekt vertrouwen dat voor de serre geen vergunning zou zijn vereist. Weliswaar kon aan deze brief vertrouwen worden ontleend, het vertrouwensbeginsel strekt – onder verwijzing naar vaste rechtspraak – niet zo ver dat het college zonder meer gehouden was af te zien van handhaving. Volgens de Afdeling komt aan het vertrouwensbeginsel, als daarbij belangen van derden spelen, slechts een beperkte betekenis toe. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom vanwege bij de bouwer gewekt vertrouwen in redelijkheid van handhaving kon worden afgezien.

Het beroep is gegrond, het besluit wordt vernietigd. De Afdeling laat evenwel de rechtsgevolgen in stand. De datum van inwerkingtreding van de wijziging van het Bor was weliswaar ten tijde van het bestreden besluit nog niet bekend, maar inmiddels wel: 1 november 2014. Met ingang van die datum zal op grond van deze wijziging van bijlage II Bor geen omgevingsvergunning voor de serre meer nodig zijn. De rechtsgevolgen van het besluit kunnen daarom in stand worden gelaten.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Monique.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.